1. Geef de indeling van de filosofie met bij elk onderdeel telkens een eigen filosofische
vraag
2. Waarom filosofie in de opleiding?
3. Toon aan de hand van drie van zijn thema’s aan waarom Thales van Milete als
“(eerste) filosoof” kan bestempeld worden
4. “Oorlog is de vader van alles, de koning van alle dingen.” Deze uitspraak komt van
o Herakleitos
o Parmenides
o Homeros
o Democritos
5. “Zonder God geen gebod”. Hiermee kan je de kritiek samenvatten van paus
Benedictus tegen
o een universalistische fundering van moraal
o het relativisme dat onze tijd kenmerkt
o een té ver doorgedreven pluralisme
o Socrates en de Griekse filosofie in het algemeen
6. Vergelijk Socrates met de sofisten op vlak van hun geloof in het al dan niet bestaan
van absolute waarheid?
7. Waarom is Socrates niet bang om te sterven en aanvaardt hij zijn lot
8. Waarom past de discussie over post-truth in deze les over Socrates en de sofisten?
9. Leg uit hoe Gescinska niet de waarheid tegenover de leugen plaatst maar de
waarachtigheid?
10. Wat betekent cultureel relativisme? (zie hieronder)
Is excision, harmful of
helpful?
Cultural Relativist would
conclude that excision
has been practiced for
centuries and we should
not intervene and
change ancient ways
1
, 11. Welke uitspraak past niet bij Plato?
o “Het goede kennen is het goede doen”
o “Filosofie begint met verwondering”
o “Ik weet dat ik niets weet”
o “Slechts een vulgaire minnaar heeft het lichaam meer lief dan de ziel”
12. Plato onderscheidt drie vormen van weten. Welke drie?
o Zuivere kennis, praktische kennis en gevoel
o Wijsheid, kennis en intuïtie
o Het ware, het schone en het goede
o Inzicht in de vormen; redelijk denken; meningen en onwetendheid
13. Teken en bespreek de allegorie van de Grot. Wat probeert Plato uit te leggen met dit
verhaall?
14. Welke drie belangrijke deugden onderscheidt Plato en met welke standen in de
maatschappij/delen van het lichaam komen deze overeen?
15. Wie gelooft in leven na de dood, kan die dan een materialistisch wereldbeeld
aanhangen?
16. Wat betekent “platonische” verliefdheid en wat is het verband met Plato’s leer?
17. Welk begrip past niet bij Aristoteles
o Onbewogen beweger
o Doel
o Deugdenleer
o Hoogste Vorm
18. Welke is fout?
o de Aristotelische doeloorzaak van een tent is bescherming te bieden
o de Aristotelische formele oorzaak van een tent is het plan
o de Aristotelische bewegende oorzaak van een huis zijn de gebruikers
o de Aristotelische materiële oorzaak van een huis is het materiaal
19. Leg zo volledig mogelijk de deugdenethiek van Aristoteles uit.
20. Hoe past Aristoteles binnen de het kwaliteitenmodel van Offman?
21. Welk beeld van de mens schetst Camus in de mythe van Sisyphus?
22. Wat het verschil is tussen transcendente en immanente doelen? Illustreer met een
voorbeeld
2