Proefexamen Politicologie – 2013
Deze vragen van het proefexamen beslaan hoofdstuk 1–6
1. Wat betekent de homogenisering in de natiestaat?
Dat dezelfde regels gelden op het gehele grondgebied van de staat.
2 Welke uitspraak is correct? (keuze tussen 3 uitspraken, maar de 2 foute
uitspraken heb ik niet)
⇒ Het principe van de “laicité” is een schoolvoorbeeld van de politieke breuklijn tussen
kerk en staat.
3 In het verleden werd het participeren van belangengroepen aan de politiek niet
altijd positief beoordeeld. In welke zin houden deze kritieken verband met de politieke
kringloop van Easton?
⇒ Politieke participatie door belangengroepen zou aanleiding geven tot volume en
content overload.
4 Welke uitspraak is niet correct?
⇒ Met de opkomst van nieuwe vormen van politieke participatie, nam de
participatieongelijkheid af.
5 Wie hoort niet thuis in de rij? (keuze uit 3, heb alleen het correcte
antwoord)
⇒ Burke.
6 Welke van de volgende uitspraken is correct? (1 juist antwoord, heb alleen het
correcte antwoord)
⇒ Elke scoutsgroep doet in zekere zin aan politiek.
7 Op welk punt kan je partijen zoals die nu bestaan, vergelijken met de
kaderpartijen van halverwege de 19de eeuw?
⇒ Ook in de moderne partijen ligt het zwaartepunt eerder bij de kaders van de partij.
Deze vragen van het proefexamen beslaan hoofdstuk 1–6
1. Wat betekent de homogenisering in de natiestaat?
Dat dezelfde regels gelden op het gehele grondgebied van de staat.
2 Welke uitspraak is correct? (keuze tussen 3 uitspraken, maar de 2 foute
uitspraken heb ik niet)
⇒ Het principe van de “laicité” is een schoolvoorbeeld van de politieke breuklijn tussen
kerk en staat.
3 In het verleden werd het participeren van belangengroepen aan de politiek niet
altijd positief beoordeeld. In welke zin houden deze kritieken verband met de politieke
kringloop van Easton?
⇒ Politieke participatie door belangengroepen zou aanleiding geven tot volume en
content overload.
4 Welke uitspraak is niet correct?
⇒ Met de opkomst van nieuwe vormen van politieke participatie, nam de
participatieongelijkheid af.
5 Wie hoort niet thuis in de rij? (keuze uit 3, heb alleen het correcte
antwoord)
⇒ Burke.
6 Welke van de volgende uitspraken is correct? (1 juist antwoord, heb alleen het
correcte antwoord)
⇒ Elke scoutsgroep doet in zekere zin aan politiek.
7 Op welk punt kan je partijen zoals die nu bestaan, vergelijken met de
kaderpartijen van halverwege de 19de eeuw?
⇒ Ook in de moderne partijen ligt het zwaartepunt eerder bij de kaders van de partij.