1 SW B15
Woordenlijst sociologie
1. Waterval in het onderwijs = cascade:
Het TSO en BSO worden als ‘minder’ en ‘lager’ gezien. Dus probeert men zo ‘hoog’ mogelijk te
beginnen. Als het niet lukt, zakken we wel een niveau. Zo krijgen we een waterval.
2. Sociale homogamie:
De meerderheid van de mensen trouwt met iemand van hetzelfde onderwijsniveau.
3. Mattheus effect:
Vaak voorkomende vorm van onrechtvaardigheid. Het is een maatregel die terechtkomt bij
mensen die het niet echt nodig hebben. “Wie al heeft, krijgt nog meer. Wie weinig heeft, zal dat
weinige verliezen.”
Vb. cultuurcheques studenten: niet studeren = niet ontvangen.
Vb. woonbonus: als je niet genoeg geld hebt, kan je er geen gebruik van maken.
4. Thomas theorema:
Mens creëert zijn eigen sociale realiteit. We creëren los van onze fysieke realiteit, onze eigen
realiteit. Als mensen een situatie definiëren als echt, gaat dat echt zijn in hun gevolgen. De
gevolgen zijn dus waar.
Vb. rook uit rooster en mensen die brand roepen iedereen gelooft dat er brand is
Vb. terreurdreiging niveau 3
Vb. placebo-effect
5. Political correctness:
Iets niet zeggen of niet doen, uit angst te worden beschuldigd van discriminatie of racisme.
Problemen met allochtonen niet durven benoemen.
Vb. Keulen: aanranding vrouwen door vluchtelingen. De politie verzweeg dit en de media
ook.
6. Institutie:
Het is een gestandaardiseerd interactiepatroon tussen mensen, groepen of organisaties. Het is
stabiel maar niet onveranderlijk: het ontstaat, verandert & verdwijnt doorheen interacties (het is
een door de mens gecreëerde sociale realiteit). Het geeft routine, voorspelbaarheid & structuur
aan het samenleven. Het helpt ons bij het vervullen van levensnoodzakelijke activiteiten.
7. Institutionalisering:
Gedrag wordt in interactie met anderen gestandaardiseerd waardoor we voorspelbaar worden
en daardoor antwoord krijgen op onze levensnoodzakelijke behoeften.
8. Desinstitutionaliseren:
Het verdwijnen van instituties
1