6. Geld, monetair beleid en inflatie
6.1 Het geld
6.1.1 Functies van het geld
Geld = algemeen aanvaard ruilmiddel
Waardemeter
Beleggingsmiddel
Kredietmiddel
6.1.2 Betalingsverkeer vandaag
Chartaal geld = munten en bankbiljetten
Pasmunten = muntstukken die geslagen worden van onedel metaal
De nominale waarde overtreft de metaalwaarde
Men mag ze niet vrij aanmunten
Ze hebben een beperkte betaalkracht
Conventioneel papiergeld = papiergeld waarvan de dekking in goud lager is dan 100% en waarvan de
inwisselbaarheid voor goud werd opgeheven (= papieren standaard of nominalisme)
Giraal geld = onmiddelijk opvraagbaar tegoed bij kredietinstellingen en ontstaat dor deposito van
bankbiljetten
Single Euro Payments Area (SEPA) = maakt het mogelijk op een betaalrekening in gelijk welk SEPA-
land overschrijvingen, permanente opdrachten en verrichtingen met betaalkaarten te doen naar een
andere lidstaat, ook buiten de eurozone. Die betalingen moeten even vlot, goedkoop en met
dezelfde garanties gebeuren als transacties in 1 land.
Elektronisch geld = een digitale equivalent van contant geld, opgeslagen op een elektronische drager
of op afstand op een server
Elektronische portemonnee = vorm van e-money waar gebruikers relatief kleine bedragen in geld op
betaalkaart of andere smart card opslaan, om te gebruiken voor kleine betalingen
Ook betalen via sms, PingPing, smartphone of zelfs elektronische ID
ReTiBo-systeem = registratie, ticketing en boordcomputer
Quasi-geld = niet onmiddelijk beschikbaar omdat het voor een bepaalde termijn werd toevertrouwd
aan een kredietinstelling
M1 = chartaal geld en giraal geld
M2 = M1 + deposito’s met vaste looptijd tot en met 2 jaar, deposito’s met opzegtermijn tot en met 3
maanden
M3 = M2 vermeerderd met o.a. de repo’s, schuldbewijzen met looptijd tot en met 2 jaar