H1 Inleiding
Definitie psychologie: ‘psychologie is een wetenschap waarbij het gedrag bestudeerd wordt
en de gedragsevidentie gebruikt wordt om de interne processen te begrijpen die ten
grondslag liggen aan dat gedrag.’
Filosofie in het oude griekenland
Plato
Volgens hem diende een onderscheid gemaakt te worden tussen de ware, onzichtbare
wereld van onveranderlijke, ideale vormen en de zichtbare, veranderlijke wereld rondom
ons, die een onvolmaakte afspiegeling is van de ware wereld.
De menselijke ziel is een deel van de ware ideale wereld.
Kennis is gebaseerd op de menselijke rede en niet op de observatie en studie van de wereld
waarin we leven.
Hij geloofde in de tweedeling van lichaam en geest, het dualisme.
De ziel is immaterieel en onsterfelijk; het lichaam is materieel en sterfelijk. Ook het idee van
reïncarnatie wordt door Plato van Pythagoras overgenomen. De onsterfelijke ziel is ons
echte ik; als je wilt weten hoe we in elkaar zitten, moet je weten hoe de ziel in elkaar zit.
Aristoteles
Hechtte meer belang aan observatie dan Plato.
Om echte kennis te hebben diende men uit te gaan van axioma’s (onwrikbare
uitgangspunten)
Die werden door de menselijke ziel intuïtief herkend. Dit noemde hij demonstratie.
In de kerk waren de ideeën van Plato en Aristoteles erg bekend en mensen geloofden hierin.
Dit waren de enige bronnen die heb voorgeschoteld kregen.
De wetenschappelijke revolutie
De copernicaanse revolutie
Een belangrijke katalysator van de wetenschappelijke revolutie was dat het kalenderjaar niet
bleek te kloppen. Doordoor liep de kalender aan het einde van de 15 de eeuw al 11 dagen
achter. Dit is toen gecorrigeerd.
Nicolaus Copernicus
Hij schreef een tekst waarin hij beweerde dat niet alle hemellichamen rond de aarde draaien
maar dat de aarde rondom de zon draait. Zijn beweringen bleven grotendeels hypothetisch.
Galileo Galilei
Hij kwam met een nieuwe reeks van inzichten. Hij onderbouwde ze met de uitvinding van de
telescoop.