Statistiek samenvatting
HOOFSTUK 1: INLEIDING
Soorten statistiek:
Beschrijvende statistiek: gegevens ordenen en samenvatten
Kansberekening: kans op bepaalde gebeurtenis bepalen
Verklarende statistiek: bepaalde verwachtingen toetsen
De fasen in onderzoek:
Fase 3: analyse
Kwalitatief of
kwantitatief
onderzoek?
Kwantitatief (onderwerp van deze cursus)
Je maakt een samenvatting van verzamelde gegevens (steekproef)
Je toetst een aantal verwachtingen over de populatie (hypothesen)
Keuze van de geschikte statistische methode hangt af van verschillende factoren
(meetniveau!)
Doel is om je conclusie te verbreden naar de populatie (kansen)
Kwalitatief
Zijn gevonden resultaten toevallig of niet?
Geen cijfermatige gegevens
, Als aanvulling op kwantitatief onderzoek
Overzicht hoofdstukken:
Beschrijvende statistiek: meetniveaus, centrummaten, spreidingsmaten, figuren en
tabellen (hoofdstuk 2 en 3)
Kansverdelingen (hoofdstuk 4) Schatten en toetsen (hoofdstuk 5)
SIGNIFICANTIE?!
Hypothesetoetsen: verschillen onderzoeken, gepaard versus onafhankelijk
(hoofdstuk 6 en 8)
Correlatie en regressie: verbanden onderzoeken en effecten interpreteren
(hoofdstuk 7)
Verdelingsvrije toetsen (hoofdstuk 9)
HOOFDSTUK 2: BESCHRIJVENDE STATISTIEK – ÉÉN VARIABELE
MEETNIVEAUS
Meeste
ondervraagden
hadden 4 personen in bubbel
Aantal personen in bubbel gaat van 0 tot en met 8 (spreiding)
Midden ligt bij 4 personen (centrum)
Stijgende en dalende lijn in de waarnemingen
Welke berekeningen? Welke grafieken? Keuze o.b.v. meetniveau!
Wat is de aard van je metingen (variabelen)?
Meetniveau bepaalt welke statistische methoden toepasbaar zijn!
Er zijn verschillende meetniveaus:
1. Nominaal = laagste, kwalitatieve meetschaal
, Voorbeelden: haarkleur, lievelingseten, sport, woonplaats, postcode
Metingen bestaan uit enkele losse categorieën (kenmerk)
Niets ‘ertussenin’, discreet (beperkt aantal waarden)
Je kan er niet mee rekenen (cijfers = codes)
Frequenties/percentages berekenen kan wel (tellen)
Speciale nominale gegevens
Dichotoom: slechts 2 mogelijkheden (vb. succes/faling)
Dummy’s: lijst met antwoordmogelijkheden (vb. hobby’s)
o Dummy = 1 (aangevinkt) / 0 (niet aangevinkt)
o Elke keuze wordt dummy
2. Ordinaal = tweede kwalitatieve meetschaal
Voorbeelden: opleidingsniveau, waardering (slecht-matig-goed), salarisschaal
Nominaal + rangorde (logische volgorde)
Je kan er nog steeds niet mee rekenen (cijfers = codering)
Je kan wel midden bepalen van gerangschikte gegevens
Speciale ordinale gegevens
Likert-items: mening over een bepaald onderwerp
o Keuze van 1 (= helemaal oneens) tot 7 (= helemaal eens)
o In praktijk toch scores optellen, uitmiddelen, ...
3. Interval = laagste, kwantitatieve meetschaal
Voorbeelden: temperatuur in graden Celsius, tijd op de klok
, Getalwaarden (je kan ermee rekenen)
Ordinaal + gelijke intervallen (‘afstanden’) tussen waarden
Discreet of continu (‘oneindig’ veel waarden)
Geen natuurlijk nulpunt (verhoudingen niet zinvol)
Speciale intervalgeschaalde gegevens
Likertschaal: combinatie (optellen, gemiddelde) van Likert-items
o Gecombineerde variabele heeft meer mogelijke waarden
o Betekenisvol? Niet eender wat combineren!
4. Ratio= hoogste, kwantitatieve meetschaal
Voorbeelden: aantal werkuren/week, inkomen, afstand woon-werkverkeer
Interval + betekenisvolle verhoudingen (vb. ‘dubbel zoveel’)
Er is natuurlijk nulpunt aanwezig
Meetschaal kan veranderen!
Leeftijd = ratiogeschaald
Opdelen respondenten in leeftijdscategorieën (-25, 25–50, 50+)
Leeftijd = ordinaal
Interval en ratio = metrisch (hebben meeteenheid)
HOOFSTUK 1: INLEIDING
Soorten statistiek:
Beschrijvende statistiek: gegevens ordenen en samenvatten
Kansberekening: kans op bepaalde gebeurtenis bepalen
Verklarende statistiek: bepaalde verwachtingen toetsen
De fasen in onderzoek:
Fase 3: analyse
Kwalitatief of
kwantitatief
onderzoek?
Kwantitatief (onderwerp van deze cursus)
Je maakt een samenvatting van verzamelde gegevens (steekproef)
Je toetst een aantal verwachtingen over de populatie (hypothesen)
Keuze van de geschikte statistische methode hangt af van verschillende factoren
(meetniveau!)
Doel is om je conclusie te verbreden naar de populatie (kansen)
Kwalitatief
Zijn gevonden resultaten toevallig of niet?
Geen cijfermatige gegevens
, Als aanvulling op kwantitatief onderzoek
Overzicht hoofdstukken:
Beschrijvende statistiek: meetniveaus, centrummaten, spreidingsmaten, figuren en
tabellen (hoofdstuk 2 en 3)
Kansverdelingen (hoofdstuk 4) Schatten en toetsen (hoofdstuk 5)
SIGNIFICANTIE?!
Hypothesetoetsen: verschillen onderzoeken, gepaard versus onafhankelijk
(hoofdstuk 6 en 8)
Correlatie en regressie: verbanden onderzoeken en effecten interpreteren
(hoofdstuk 7)
Verdelingsvrije toetsen (hoofdstuk 9)
HOOFDSTUK 2: BESCHRIJVENDE STATISTIEK – ÉÉN VARIABELE
MEETNIVEAUS
Meeste
ondervraagden
hadden 4 personen in bubbel
Aantal personen in bubbel gaat van 0 tot en met 8 (spreiding)
Midden ligt bij 4 personen (centrum)
Stijgende en dalende lijn in de waarnemingen
Welke berekeningen? Welke grafieken? Keuze o.b.v. meetniveau!
Wat is de aard van je metingen (variabelen)?
Meetniveau bepaalt welke statistische methoden toepasbaar zijn!
Er zijn verschillende meetniveaus:
1. Nominaal = laagste, kwalitatieve meetschaal
, Voorbeelden: haarkleur, lievelingseten, sport, woonplaats, postcode
Metingen bestaan uit enkele losse categorieën (kenmerk)
Niets ‘ertussenin’, discreet (beperkt aantal waarden)
Je kan er niet mee rekenen (cijfers = codes)
Frequenties/percentages berekenen kan wel (tellen)
Speciale nominale gegevens
Dichotoom: slechts 2 mogelijkheden (vb. succes/faling)
Dummy’s: lijst met antwoordmogelijkheden (vb. hobby’s)
o Dummy = 1 (aangevinkt) / 0 (niet aangevinkt)
o Elke keuze wordt dummy
2. Ordinaal = tweede kwalitatieve meetschaal
Voorbeelden: opleidingsniveau, waardering (slecht-matig-goed), salarisschaal
Nominaal + rangorde (logische volgorde)
Je kan er nog steeds niet mee rekenen (cijfers = codering)
Je kan wel midden bepalen van gerangschikte gegevens
Speciale ordinale gegevens
Likert-items: mening over een bepaald onderwerp
o Keuze van 1 (= helemaal oneens) tot 7 (= helemaal eens)
o In praktijk toch scores optellen, uitmiddelen, ...
3. Interval = laagste, kwantitatieve meetschaal
Voorbeelden: temperatuur in graden Celsius, tijd op de klok
, Getalwaarden (je kan ermee rekenen)
Ordinaal + gelijke intervallen (‘afstanden’) tussen waarden
Discreet of continu (‘oneindig’ veel waarden)
Geen natuurlijk nulpunt (verhoudingen niet zinvol)
Speciale intervalgeschaalde gegevens
Likertschaal: combinatie (optellen, gemiddelde) van Likert-items
o Gecombineerde variabele heeft meer mogelijke waarden
o Betekenisvol? Niet eender wat combineren!
4. Ratio= hoogste, kwantitatieve meetschaal
Voorbeelden: aantal werkuren/week, inkomen, afstand woon-werkverkeer
Interval + betekenisvolle verhoudingen (vb. ‘dubbel zoveel’)
Er is natuurlijk nulpunt aanwezig
Meetschaal kan veranderen!
Leeftijd = ratiogeschaald
Opdelen respondenten in leeftijdscategorieën (-25, 25–50, 50+)
Leeftijd = ordinaal
Interval en ratio = metrisch (hebben meeteenheid)