SCOIALE COGNITIES
Prototype à gemiddelde van een specifieke groep mensen
Script à geeft ons informatie over gebreurtenissen in een sociale situatie
Gedrag niet conform aan script
Top-down/theory-driven à gekende kennis bepaald mee onze perceptie
Bottom-up/data-driven à zonder enige voorkennis
Need for cognition (nadenken) <-> need for certainy (zekerheid)
Primacy effect =
Beeld al gevorm bij eerste indruk, minder aandacht besteed aan later gekregen info
Configuratiemodel Asch =
Men vormt van een persoon een gestalt, dominante eigenschappen
à EXPERIMENT: kenmerken met koude en warme betekenis
Impliciete persoonlijkheidstheorie =
De veronderstelling dat bepaalde persoonstrekken samen voorkomen en andere trekken
niet
- Halo effect (alle goeie eigenschappen horen bij het goeie)
- Horn effect (alle slechte eigenschappen
- Astrologie
Negativiteitseffect =
Negatieve elementen wegen zwaarder door dan positieve
Persoonsperceptie =
Uiterlijke kenmerken en gedragingen spelen rol bij indruksvorming, non verbaal heeft meer
invloed dan verbaal
Priming =
Als een schema recent is gebruikt, wordt het makkelijker geactiveerd, zeker als de situatie
ambigu is en enige gelijkenis vertoont met de vorige
- Semantische priming à recent schema heeft te maken met zelf concept (vb: appel
en peer)
- Repititiepriming à herhaling van schema
Referentieindex =
Referentie bepaald verdere interpretatie en uitkomst
Cognitieve dissonantie =
Tegengestelde cognities wekken psychologische spanning op die men wil reduceren
à EXPERIMENT: Dollarexperiment en Experiment van Festinger à hoe minder betaald hoe
meer van mening veranderen
, Endownment effect (Kahneman)=
Voor bezitter van object verhoogtde waarde al omdat hij er de bezitter van is (ook zonder
emotionele waarde)
Aversie voor verlies =
We verkiezen vermijden van verlies boven het verwerven van winst door angst iets te
verliezen
à framing: informatie op verschillende manieren presenteren leidt tot verschillende
gevoelens (vb: spaarzegeltjes supermarkt)
Cognities hebben een effect op emoties: stimulus à appraisal à emotie
Emoties hebben effect op cognitie: emotie à geeft info à cognitive interpretative
ATTRIBUTIE
Criteria:
- Intern (dispositioneel) / extern (situationeel)
- Stabiel (blijvend, vaak dispositioneel) /onstabiel (variabel)
- Controleerbaar (beheersbaar) /oncontroleerbaar (geen vat op)
- Globaal (in het algemeen) /specifiek (in het bijzonder aan iets eigen)
Attributietheorieën
- Zelfwaarnemingstheorie à als we geen verklaring hebben voor hoe ons lichaam
voelt dan zijn we vatbaarder voor beïnvloeding van anderen à EXPERIMENT:
schachter, Epinefrine ingespoten
- Corresponderende inferentietheorie à persoonlijke kenmerken afleiden uit gedrag
- Covariatiemodel (Kelley) à gedrag hangt af van situatie
o Consensus-varatie tussen personen
o Disinctiviteit-variatie naargelang situatie
o Consistent-variatie in de tijd
- Tweestappenmodel (Gilbert) à 1 automatische persoonlijke attributies maken, 2
aanpassen obv informatie van situationele factoren
Attributie speelt een rol bij motivatie:
- Attributietraining à bepaald gedrag aan persoon koppelen, interne attributie maken
à wekt het best
- Bekrachtigingstraining à “Ik ben trots op je werk”
- Overtuigingstraining à “doe goed je best” à werkt het minste
Self-serving bias =
Attributies gekleurd door behoefte aan zelfwaardering
- Self-enhancement (als iets gelukt is à intern) + self-defence (als iets mislukt à
extern)
Prototype à gemiddelde van een specifieke groep mensen
Script à geeft ons informatie over gebreurtenissen in een sociale situatie
Gedrag niet conform aan script
Top-down/theory-driven à gekende kennis bepaald mee onze perceptie
Bottom-up/data-driven à zonder enige voorkennis
Need for cognition (nadenken) <-> need for certainy (zekerheid)
Primacy effect =
Beeld al gevorm bij eerste indruk, minder aandacht besteed aan later gekregen info
Configuratiemodel Asch =
Men vormt van een persoon een gestalt, dominante eigenschappen
à EXPERIMENT: kenmerken met koude en warme betekenis
Impliciete persoonlijkheidstheorie =
De veronderstelling dat bepaalde persoonstrekken samen voorkomen en andere trekken
niet
- Halo effect (alle goeie eigenschappen horen bij het goeie)
- Horn effect (alle slechte eigenschappen
- Astrologie
Negativiteitseffect =
Negatieve elementen wegen zwaarder door dan positieve
Persoonsperceptie =
Uiterlijke kenmerken en gedragingen spelen rol bij indruksvorming, non verbaal heeft meer
invloed dan verbaal
Priming =
Als een schema recent is gebruikt, wordt het makkelijker geactiveerd, zeker als de situatie
ambigu is en enige gelijkenis vertoont met de vorige
- Semantische priming à recent schema heeft te maken met zelf concept (vb: appel
en peer)
- Repititiepriming à herhaling van schema
Referentieindex =
Referentie bepaald verdere interpretatie en uitkomst
Cognitieve dissonantie =
Tegengestelde cognities wekken psychologische spanning op die men wil reduceren
à EXPERIMENT: Dollarexperiment en Experiment van Festinger à hoe minder betaald hoe
meer van mening veranderen
, Endownment effect (Kahneman)=
Voor bezitter van object verhoogtde waarde al omdat hij er de bezitter van is (ook zonder
emotionele waarde)
Aversie voor verlies =
We verkiezen vermijden van verlies boven het verwerven van winst door angst iets te
verliezen
à framing: informatie op verschillende manieren presenteren leidt tot verschillende
gevoelens (vb: spaarzegeltjes supermarkt)
Cognities hebben een effect op emoties: stimulus à appraisal à emotie
Emoties hebben effect op cognitie: emotie à geeft info à cognitive interpretative
ATTRIBUTIE
Criteria:
- Intern (dispositioneel) / extern (situationeel)
- Stabiel (blijvend, vaak dispositioneel) /onstabiel (variabel)
- Controleerbaar (beheersbaar) /oncontroleerbaar (geen vat op)
- Globaal (in het algemeen) /specifiek (in het bijzonder aan iets eigen)
Attributietheorieën
- Zelfwaarnemingstheorie à als we geen verklaring hebben voor hoe ons lichaam
voelt dan zijn we vatbaarder voor beïnvloeding van anderen à EXPERIMENT:
schachter, Epinefrine ingespoten
- Corresponderende inferentietheorie à persoonlijke kenmerken afleiden uit gedrag
- Covariatiemodel (Kelley) à gedrag hangt af van situatie
o Consensus-varatie tussen personen
o Disinctiviteit-variatie naargelang situatie
o Consistent-variatie in de tijd
- Tweestappenmodel (Gilbert) à 1 automatische persoonlijke attributies maken, 2
aanpassen obv informatie van situationele factoren
Attributie speelt een rol bij motivatie:
- Attributietraining à bepaald gedrag aan persoon koppelen, interne attributie maken
à wekt het best
- Bekrachtigingstraining à “Ik ben trots op je werk”
- Overtuigingstraining à “doe goed je best” à werkt het minste
Self-serving bias =
Attributies gekleurd door behoefte aan zelfwaardering
- Self-enhancement (als iets gelukt is à intern) + self-defence (als iets mislukt à
extern)