6. Erven
6.1 Doel en systeem van het erfrecht
6.1.1 Doel van het erfrecht
Problemen omtrent het lot van subjectieve rechten en plichten van overleden: men kan
er vanuit gaan dat alle rechten en plichten volledig teniet gaan bij het overlijden van de
persoon of men kan ervan uitgaan dat de rechten en plichten overgenomen worden door
andere rechtssubjecten/erfopvolgers bij het overlijden van de persoon.
Het tenietgaan gaat vooral bij de familiale plichten en alle verbintenissen die
voortvloeien uit een overeenkomst waarbij de specifieke hoedanigheid van de
contractant doorslaggevend was.
6.1.2 Erfopvolgingsysteem
A. Het familiaal erfopvolgingsysteem
- de erfopvolgers zijn steeds de familieleden
- de nadruk kan gelegd worden op de familie (bloedverwanten) of op het gezin
(echtgenoot en kinderen)
- evolutie van familie naar gezin -> de langstlevende echtgenoot krijgt groter belang
in de erfopvolging.
B. Het individualistisch erfopvolgingsysteem
- elke individu heeft het recht zelf zijn erfopvolgers aan te wijzen.
- een akte van uiterste wil of testament
- de goederen waarover de overledene geen testament heeft gemaakt krijgen een
suppletieve regeling die zo goed mogelijk overeenstemt met de vermoedelijke wil van
de overledene.
C. Het socialistisch erfopvolgingsysteem
- de goederen van de individuen worden van de gemeenschap, de Staat.
6.1.3 Het Belgisch erfrecht – Combinatie van systemen
Een vergroting van het aandeel van de staat via successierechten, de afbrokkeling van de
familie ten voordele van het gezin en een versterking van het aandeel van de
langstlevende echtgenoot.
Individualistische component: de testamentaire vrijheid met een suppletieve wettelijke
erfopvolging, gebaseerd op familiale banden en gezinsbanden.
Familiale component: testamentaire vrijheid wordt beperkt door het bestaan van
reservataire erfgenamen met een voorbehouden gedeelte.
Socialistische component: de staat is als laatste onregelmatige erfopvolger
(rechtstreeks) en via het fiscaal recht van de successierechten (onrechtstreeks).
6.2 Wettelijke erfopvolging
6.2.1 Algemene begrippen
Erflater: de overleden, wiens vermogen overgaat op iemand ander
Erfgenaam: de persoon die de erflater in zijn rechten (en plichten) opvolgt
Via testament: testamentaire erfopvolgers/legatarissen
Via wettelijke regeling: wettelijke erfgenamen
Bloedverwanten: alle personen die via afstamming in relatie staan tot de erflater
Ascendenten(opgaande lijn), descendenten (neerdalende lijn) en zijverwanten (broer-
zus relatie)
Een graad: de eenheid van afstand in verwantschap tot de erflater. Voor descendenten
en ascendenten geschiedt de berekening van de graad door het tellen van de generaties.
6.1 Doel en systeem van het erfrecht
6.1.1 Doel van het erfrecht
Problemen omtrent het lot van subjectieve rechten en plichten van overleden: men kan
er vanuit gaan dat alle rechten en plichten volledig teniet gaan bij het overlijden van de
persoon of men kan ervan uitgaan dat de rechten en plichten overgenomen worden door
andere rechtssubjecten/erfopvolgers bij het overlijden van de persoon.
Het tenietgaan gaat vooral bij de familiale plichten en alle verbintenissen die
voortvloeien uit een overeenkomst waarbij de specifieke hoedanigheid van de
contractant doorslaggevend was.
6.1.2 Erfopvolgingsysteem
A. Het familiaal erfopvolgingsysteem
- de erfopvolgers zijn steeds de familieleden
- de nadruk kan gelegd worden op de familie (bloedverwanten) of op het gezin
(echtgenoot en kinderen)
- evolutie van familie naar gezin -> de langstlevende echtgenoot krijgt groter belang
in de erfopvolging.
B. Het individualistisch erfopvolgingsysteem
- elke individu heeft het recht zelf zijn erfopvolgers aan te wijzen.
- een akte van uiterste wil of testament
- de goederen waarover de overledene geen testament heeft gemaakt krijgen een
suppletieve regeling die zo goed mogelijk overeenstemt met de vermoedelijke wil van
de overledene.
C. Het socialistisch erfopvolgingsysteem
- de goederen van de individuen worden van de gemeenschap, de Staat.
6.1.3 Het Belgisch erfrecht – Combinatie van systemen
Een vergroting van het aandeel van de staat via successierechten, de afbrokkeling van de
familie ten voordele van het gezin en een versterking van het aandeel van de
langstlevende echtgenoot.
Individualistische component: de testamentaire vrijheid met een suppletieve wettelijke
erfopvolging, gebaseerd op familiale banden en gezinsbanden.
Familiale component: testamentaire vrijheid wordt beperkt door het bestaan van
reservataire erfgenamen met een voorbehouden gedeelte.
Socialistische component: de staat is als laatste onregelmatige erfopvolger
(rechtstreeks) en via het fiscaal recht van de successierechten (onrechtstreeks).
6.2 Wettelijke erfopvolging
6.2.1 Algemene begrippen
Erflater: de overleden, wiens vermogen overgaat op iemand ander
Erfgenaam: de persoon die de erflater in zijn rechten (en plichten) opvolgt
Via testament: testamentaire erfopvolgers/legatarissen
Via wettelijke regeling: wettelijke erfgenamen
Bloedverwanten: alle personen die via afstamming in relatie staan tot de erflater
Ascendenten(opgaande lijn), descendenten (neerdalende lijn) en zijverwanten (broer-
zus relatie)
Een graad: de eenheid van afstand in verwantschap tot de erflater. Voor descendenten
en ascendenten geschiedt de berekening van de graad door het tellen van de generaties.