H1) Leerproblemen <-> leerstoornis
Discrepantiecriterium = potentieel succes > actueel succes
verschil in SVT en IQ + correlatie tussen
voorspelde score SVT (obv IQ) en reële score
Achterstandscriterium = er zijn duidelijke problemen bij het
verwerven van specifiek schoolse of cognitieve
vaardigheden, het niveau ligt duidelijk lager
dan van de chronologische leeftijd van het
individu verwacht mag worden.
< pc 10
- beschrijvend niveau: ernstige
achterstand bij automatisering
- Verklarend niveau: problemen met
specifieke cognitieve vaardigheden die
als oorzaak gesteld worden.
Hardnekkigheidscriterium = de problemen blijven bestaand ondanks
adequate remediërende instructie en
oefening, problemen minimaal 6 maanden.
RTI: response to instruction
Exclusiviteitscriterium = de problemen kunnen niet volledig verklaard
worden door externe problemen
<-> enge interpretatie
Dyslexie = een specifieke leerstoornis die gekenmerkt
wordt door het hardnekkige probleem in het
aanleren van adequaat en vlot lezen en/of
spellen op woordniveau. Het is probleem is
niet het gevolg van omgevingsfactoren en/of
lichamelijk, neurologische of algemene
verstandelijke beperking.
5-7%
Dyscalculie = een specifieke leerstoornis die gekenmerkt
wordt door het hardnekkige probleem met het
vlot/accuraat opvragen van rekenfeiten en/of
in het vlot/accuraat aanleren van
rekenprocedures. Het is probleem is niet het
gevolg van omgevingsfactoren en/of
lichamelijk, neurologische of algemene
verstandelijke beperking.
5-7%
Specifieke leerstoornis (DMS-V) = moeite met het aanleren en het gebruiken
van schoolse vaardigheden, zoals blijkt uit de
persisterende aanwezigheid van minstens een
van de volgende symptomen gedurende
minstens 6 maanden, ondanks interventies
gericht op deze moeilijkheden:
- Vloeiendheid/snelheid/ accuratesse
lezen
, - Spelling
- Begrijpend lezen
- Schriftelijk uitdrukken
- Gevoel voor feiten rond getallen of
berekeningen
- Wiskundig/cijfermatig redeneren
5-15%
H2) lezen
Sequentieel geheugen = volgorde van klanken onthouden,
Auditieve discriminatie = klanken onderscheiden
Visuele discriminatie = grafemen onderscheiden
Klank-teken koppeling = aan elk grafeem een juiste klank koppelen
Auditieve synthese = als je klanken hoort na elkaar, maak je er een
woord van
Visuele synthese = snel woorden herkennen waardoor ze niet
meer letter per letter gelezen moeten worden
Woordherkenning = schriftelijke informatie opnemen
Sip (systematische inprentingsmethode) = manier om klank-teken koppeling aan te
leren bij moeilijkheden decoderen
= kaartjes waarop klank-tekenkoppeling staat
oefenen tot ze goed lukken
Covariate training = manier om klank-teken koppeling aan te
leren bij moeilijkheden decoderen
= functionele eenheden: snel willekeurig
aanbieden van korte die maar verschillen met
1 letter
Flits-lezen = manier om volledige woordherkenning te
stimuleren
= woord wordt 1 seconde getoond, waardoor
je in 1 oogopslag woord moet lezen en niet
kan lezen op letterniveau
Kwalitatieve analyse = geeft inzicht bij de denkstappen die een lln
zet en waar het grootste probleem zit
H3) spellen
Diagrafen = 2 tekens/grafemen voor 1 klank
Syllabe = klankgroep
Morfeem = betekenisdragend deel van woord
Vrije morfeem = woorddelen dragen opzich betekenis
Gebonden morfeem = woorddelen geven betekenis aan
woorddelen waar ze bijhoren
- Syntactisch: woorddeel geeft betekenis
aan zinsvorming (bv: isch maakt van zn
bv)
- Semantisch: woorddeel geeft betekenis
aan woord (bv: on-)
Flexie = een spellingshandeling gebaseerd op
morfologie
Discrepantiecriterium = potentieel succes > actueel succes
verschil in SVT en IQ + correlatie tussen
voorspelde score SVT (obv IQ) en reële score
Achterstandscriterium = er zijn duidelijke problemen bij het
verwerven van specifiek schoolse of cognitieve
vaardigheden, het niveau ligt duidelijk lager
dan van de chronologische leeftijd van het
individu verwacht mag worden.
< pc 10
- beschrijvend niveau: ernstige
achterstand bij automatisering
- Verklarend niveau: problemen met
specifieke cognitieve vaardigheden die
als oorzaak gesteld worden.
Hardnekkigheidscriterium = de problemen blijven bestaand ondanks
adequate remediërende instructie en
oefening, problemen minimaal 6 maanden.
RTI: response to instruction
Exclusiviteitscriterium = de problemen kunnen niet volledig verklaard
worden door externe problemen
<-> enge interpretatie
Dyslexie = een specifieke leerstoornis die gekenmerkt
wordt door het hardnekkige probleem in het
aanleren van adequaat en vlot lezen en/of
spellen op woordniveau. Het is probleem is
niet het gevolg van omgevingsfactoren en/of
lichamelijk, neurologische of algemene
verstandelijke beperking.
5-7%
Dyscalculie = een specifieke leerstoornis die gekenmerkt
wordt door het hardnekkige probleem met het
vlot/accuraat opvragen van rekenfeiten en/of
in het vlot/accuraat aanleren van
rekenprocedures. Het is probleem is niet het
gevolg van omgevingsfactoren en/of
lichamelijk, neurologische of algemene
verstandelijke beperking.
5-7%
Specifieke leerstoornis (DMS-V) = moeite met het aanleren en het gebruiken
van schoolse vaardigheden, zoals blijkt uit de
persisterende aanwezigheid van minstens een
van de volgende symptomen gedurende
minstens 6 maanden, ondanks interventies
gericht op deze moeilijkheden:
- Vloeiendheid/snelheid/ accuratesse
lezen
, - Spelling
- Begrijpend lezen
- Schriftelijk uitdrukken
- Gevoel voor feiten rond getallen of
berekeningen
- Wiskundig/cijfermatig redeneren
5-15%
H2) lezen
Sequentieel geheugen = volgorde van klanken onthouden,
Auditieve discriminatie = klanken onderscheiden
Visuele discriminatie = grafemen onderscheiden
Klank-teken koppeling = aan elk grafeem een juiste klank koppelen
Auditieve synthese = als je klanken hoort na elkaar, maak je er een
woord van
Visuele synthese = snel woorden herkennen waardoor ze niet
meer letter per letter gelezen moeten worden
Woordherkenning = schriftelijke informatie opnemen
Sip (systematische inprentingsmethode) = manier om klank-teken koppeling aan te
leren bij moeilijkheden decoderen
= kaartjes waarop klank-tekenkoppeling staat
oefenen tot ze goed lukken
Covariate training = manier om klank-teken koppeling aan te
leren bij moeilijkheden decoderen
= functionele eenheden: snel willekeurig
aanbieden van korte die maar verschillen met
1 letter
Flits-lezen = manier om volledige woordherkenning te
stimuleren
= woord wordt 1 seconde getoond, waardoor
je in 1 oogopslag woord moet lezen en niet
kan lezen op letterniveau
Kwalitatieve analyse = geeft inzicht bij de denkstappen die een lln
zet en waar het grootste probleem zit
H3) spellen
Diagrafen = 2 tekens/grafemen voor 1 klank
Syllabe = klankgroep
Morfeem = betekenisdragend deel van woord
Vrije morfeem = woorddelen dragen opzich betekenis
Gebonden morfeem = woorddelen geven betekenis aan
woorddelen waar ze bijhoren
- Syntactisch: woorddeel geeft betekenis
aan zinsvorming (bv: isch maakt van zn
bv)
- Semantisch: woorddeel geeft betekenis
aan woord (bv: on-)
Flexie = een spellingshandeling gebaseerd op
morfologie