Immunologie Deeltentamen II
H4 (t/m 4.15)
H6 (t/m 6.14)
H9 (t/m 9.17)
HC 5: H4 (4.1-4.11)
14-11-2022
Innate immuniteit:
- Snelle respons (uren).
- Gelimiteerd aantal specificiteit.
- Constant tijdens de respons.
Adaptive immuniteit:
- Langzame respons (dagen-weken).
- Variabel
- Hoog aantal specificiteit.
- Wordt beter tijdens de reactie
- Ontstaan geheugencellen.
Verschillende type pathogenen hebben verschillende verdediging mechanismes nodig.
Extracellulair: bacteriën, virussen, parasieten, schimmels (fungi).
Intracellulair: vb. virusreplicatie.
Adaptive immuniteit respons is verantwoordelijk voor de effectiviteit van vaccins: Poliovirus,
Diptheria, Covid-19.
Vaccins wekken neutraliserende (toxine door lichaam gemaakt -> bacterie wordt
onschadelijk) antilichamen op die infectie voorkomen.
Adaptive immuunsysteem is afhankelijk van de lymfoïde organen:
- Primaire lymfoïde organen: productie van naive lymfocyten (beenmerg -> B-cellen
en thymus -> T-cellen).
- Secondaire lymfoïde organen: filter van de lymfe vloeistof/cellen dat wordt
afgevoerd van de weefsels. Activatie van lymfocyten, lymfeknopen, spleen, Peyer’s
patches (= groepering van lymfoïde follikels in de mucus membraan (slijmvlies) dat
de dunne darm bekleedt).
B-cellen
- Productie in beenmerg.
- Hoog specifiek, elke cel heeft unieke receptor.
- Herkenning van intact Ag.
- Clonal selectie: uitbreiding van B-cel klonen die Ag herkennen en differentiatie in
effector cellen.
- Humorale respons: antilichamen.
- Geheugen
,T-cellen
- Productie in thymus.
- Hoog specifiek, elke cel heeft unieke receptor.
- Herkennen van verwerkte Ag op APC’s (presenteert door MHC op oppervlak cel).
- Clonal selectie: uitbreiding van T-cel klonen die Ag herkennen en differentiatie in
effector cellen.
- Cellulaire respons: helper (CD4) en cytotoxische (CD8) T-cellen.
- Geheugen
Elke cel (T en B) heeft een
unieke receptor met een
variabele en constante regio.
Immuunglobulin =
antilichaam uitgescheiden
vorm) /BCR (membraan vorm)
BCR is identiek aan uitgescheiden antilichaam: B-cel bindt aan vb. bacterie -> B-cel laat
antilichamen plasmacellen uitscheiden.
Herkenning en effector moleculen van B-cellen zijn identiek (BCR-antibody) en T-cellen zijn
verschillend (TCR-cytokines etc.).
Structuur van immunoglubline G (IgG):
- Heavy chain en light chain.
- Elke TCR/BCR is verschillend in de variabele regio.
- Constante regio is hetzelfde
De hinge (scharnier) regio zorgt voor flexibiliteit in IgG -> noodzakelijk voor de functie van
het tegelijkertijd binden aan het pathogeen en de effector moleculen en receptoren van het
immuunsysteem.
Antilichaam herkent epitope op het antigen. Antigen met meerdere epitopen = multivalent
antigen (kan met verschillende epitopen of met 1 herhalende epitope).
, Antilichamen herkennen eiwitten, carbohydraten, DNA of kleine moleculen. Verschillen in
chemische interacties (vb. vdw, H-bruggen, zoutbruggen) bepalen de sterkte van interactie
en affiniteit van antilichaam.
Zijn lineaire epitopen en onderbroken epitopen:
Antilichamen herkennen veel verschillende structuren.
Affineit = sterkte van 1 interactie.
Aviditeit = gecombineerde sterkte van verschillende interacties.
CDR-regio van variabele domein zijn meest diverse: verschillen in aminozuren sequentie in
variabele domein zijn in 3 regio’s -> Hypervariabele regio’s (HV) of Complementarity-
Determing Regio’s (CDRs), 3e regio is veel minder variabel: Framework regio’s.
5 verschillende heavy ketens: constante gedeelte zorgt voor de verschillende functies van de
Ig.
IgG is meest aanwezig als isotoop (IgG1, 2, 3 en 4), IgM, IgD en IgE hebben geen isotopen en
IgA1 en 2.
IgG heeft de langste halfwaardetijd.
2 verschillende lichte ketens kappa en lambda -> geen verschillen in functies.
H4 (t/m 4.15)
H6 (t/m 6.14)
H9 (t/m 9.17)
HC 5: H4 (4.1-4.11)
14-11-2022
Innate immuniteit:
- Snelle respons (uren).
- Gelimiteerd aantal specificiteit.
- Constant tijdens de respons.
Adaptive immuniteit:
- Langzame respons (dagen-weken).
- Variabel
- Hoog aantal specificiteit.
- Wordt beter tijdens de reactie
- Ontstaan geheugencellen.
Verschillende type pathogenen hebben verschillende verdediging mechanismes nodig.
Extracellulair: bacteriën, virussen, parasieten, schimmels (fungi).
Intracellulair: vb. virusreplicatie.
Adaptive immuniteit respons is verantwoordelijk voor de effectiviteit van vaccins: Poliovirus,
Diptheria, Covid-19.
Vaccins wekken neutraliserende (toxine door lichaam gemaakt -> bacterie wordt
onschadelijk) antilichamen op die infectie voorkomen.
Adaptive immuunsysteem is afhankelijk van de lymfoïde organen:
- Primaire lymfoïde organen: productie van naive lymfocyten (beenmerg -> B-cellen
en thymus -> T-cellen).
- Secondaire lymfoïde organen: filter van de lymfe vloeistof/cellen dat wordt
afgevoerd van de weefsels. Activatie van lymfocyten, lymfeknopen, spleen, Peyer’s
patches (= groepering van lymfoïde follikels in de mucus membraan (slijmvlies) dat
de dunne darm bekleedt).
B-cellen
- Productie in beenmerg.
- Hoog specifiek, elke cel heeft unieke receptor.
- Herkenning van intact Ag.
- Clonal selectie: uitbreiding van B-cel klonen die Ag herkennen en differentiatie in
effector cellen.
- Humorale respons: antilichamen.
- Geheugen
,T-cellen
- Productie in thymus.
- Hoog specifiek, elke cel heeft unieke receptor.
- Herkennen van verwerkte Ag op APC’s (presenteert door MHC op oppervlak cel).
- Clonal selectie: uitbreiding van T-cel klonen die Ag herkennen en differentiatie in
effector cellen.
- Cellulaire respons: helper (CD4) en cytotoxische (CD8) T-cellen.
- Geheugen
Elke cel (T en B) heeft een
unieke receptor met een
variabele en constante regio.
Immuunglobulin =
antilichaam uitgescheiden
vorm) /BCR (membraan vorm)
BCR is identiek aan uitgescheiden antilichaam: B-cel bindt aan vb. bacterie -> B-cel laat
antilichamen plasmacellen uitscheiden.
Herkenning en effector moleculen van B-cellen zijn identiek (BCR-antibody) en T-cellen zijn
verschillend (TCR-cytokines etc.).
Structuur van immunoglubline G (IgG):
- Heavy chain en light chain.
- Elke TCR/BCR is verschillend in de variabele regio.
- Constante regio is hetzelfde
De hinge (scharnier) regio zorgt voor flexibiliteit in IgG -> noodzakelijk voor de functie van
het tegelijkertijd binden aan het pathogeen en de effector moleculen en receptoren van het
immuunsysteem.
Antilichaam herkent epitope op het antigen. Antigen met meerdere epitopen = multivalent
antigen (kan met verschillende epitopen of met 1 herhalende epitope).
, Antilichamen herkennen eiwitten, carbohydraten, DNA of kleine moleculen. Verschillen in
chemische interacties (vb. vdw, H-bruggen, zoutbruggen) bepalen de sterkte van interactie
en affiniteit van antilichaam.
Zijn lineaire epitopen en onderbroken epitopen:
Antilichamen herkennen veel verschillende structuren.
Affineit = sterkte van 1 interactie.
Aviditeit = gecombineerde sterkte van verschillende interacties.
CDR-regio van variabele domein zijn meest diverse: verschillen in aminozuren sequentie in
variabele domein zijn in 3 regio’s -> Hypervariabele regio’s (HV) of Complementarity-
Determing Regio’s (CDRs), 3e regio is veel minder variabel: Framework regio’s.
5 verschillende heavy ketens: constante gedeelte zorgt voor de verschillende functies van de
Ig.
IgG is meest aanwezig als isotoop (IgG1, 2, 3 en 4), IgM, IgD en IgE hebben geen isotopen en
IgA1 en 2.
IgG heeft de langste halfwaardetijd.
2 verschillende lichte ketens kappa en lambda -> geen verschillen in functies.