ANDERE RE G E LE N V AN ONDERNEMING SRECHT
(vanaf minuut 36 les 06)
1
, OVERZICHT
• Hoofdelijkheid
• Bewijs in handels- / ondernemingszaken
• Betalingsachterstand (handelstransacties)
• Minnelijke invordering van schulden van de
consument
2
, HOOFDELIJKHEID
• Hoofdelijkheid is een regel uit het handelsrecht
Schuldsplitsing in het burgerlijk recht
• Uitbreiding tot ondernemingen in de zin van art.
I.1.1° WER (art. 5.160 BW)
• Doel van het vermoeden van hoofdelijkheid
• Afwijkende bedingen
1. Hoofdelijkheid
Wanneer een schuld wordt aangegaan door verschillende ondernemingen, dan
worden die ondernemingen vermoed hoofdelijk verbonden te zijn. Dit betekent dat
de schuldeiser het volledige bedrag kan vorderen van elk van die ondernemingen.
(We hebben dit reeds in een vorige ppt gezien.)
De regeling inzake hoofdelijkheid is afkomstig uit het oude handelsrecht. De vraag
stelde zich of dit vermoeden van hoofdelijkheid automatisch kon worden toegepast
op het nieuwe ondernemingsbegrip wanneer het handelaarsbegrip werd
afgeschaft. Vandaag is het duidelijk dat het principe van hoofdelijkheid expliciet is
ingeschreven in artikel 160 boek 5 WER. Voor de toepassing van dit artikel moet
gewerkt worden met het ondernemingsbegrip uit artikel 1 boek 1.
Van het principe van de hoofdelijkheid (en ook van het principe van de
schuldsplitsing in het burgerlijk recht) kan contractueel worden afgeweken.
3
, BEWIJS IN ONDERNEMINGSZAKEN
• Pro memorie: bewijs in het burgerlijk recht
• Rechtshandelingen voor meer of gelijk aan 3500 euro:
bewijs aan de hand van authentieke of onderhandse akte
(art. 8.9 §1 BW)
• Duurcontracten (art. 8.9 §3 BW)
• Regel van het dubbel origineel (art. 8.20 BW)
• Vaste datum (art. 8.22 BW)
• Opmerking: versoepeling bewijsrecht dateert van 1 november
2020
• Aanpassing grensbedrag van 375 euro naar 3500 euro
2. Bewijs in ondernemingszaken
Om goed te kunnen zien in welke mate de regelen van het bewijs in
ondernemingszaken bijdragen tot een goed en efficiënt economisch verkeer, is het
nuttig om even te kijken naar het burgerlijk bewijsrecht. Hierdoor kunnen we
vaststellen dat het bewijs in ondernemingszaken soepeler is dan het bewijs in
burgerlijke zaken.
In het Belgische burgerlijk recht geldt het gereglementeerd bewijsrecht wanneer
het gaat om rechtshandeling die de waarde van 3500 euro overstijgen. Het bewijs
moet hierbij dus geleverd worden door een ondertekend geschrift. Dit kan de vorm
aannemen van een onderhandse of authentieke akte. Voor rechtshandelingen
onder de 3500 euro geldt deze regel niet. Het bewijs van deze rechtshandeling kan
dus geleverd worden met alle middelen van recht. Tot voor 1 november 2020
(=invoering boek 8 WER) bedroeg dit bedrag 375 euro. Vandaag is het dus 3500
euro.
Consumenten verbinden zich in een contract soms voor een lange periode. Hoe
moet de waarde van deze rechtshandeling berekenen bij deze duurcontracten?
Artikel 8.9 BW stelt dat hierbij gekeken moet worden naar de waarde van de
4