Taalvariatie
Inleiding
• Variatie = verscheidenheid, diversiteit
• Vier soorten taalvariatie
➡ Sociale taalvariatie = gegroepeerd op basis van maatschappelijke kenmerken
➡ Situationele taalvariatie = situatie waarin de communicatie plaats vindt
➡ Tijdsgebonden taalvariatie = historische taalkunde
➡ Geogra sche taalvariatie = op basis van de wereldkaart
Sociale taalvariatie
Sociolect = taalvariant die bepaald wordt door een sociale factor
1. Sociale klassen
a) Bepalen van de sociale klasse
• Inkomen
• Beroep
• Bezittingen
• Hobby’s
• Auto, huis
• Manier van spreken !
• …
b) Soorten klassen
• Hogere klasse
➡ Standaardtaal
• Middenklasse
➡ Grootste groep
➡ Tussentaal
• Lagere klasse
➡ Dialect
c) Ontstaan van de standaardtaal
• Middel-Nederlands → verzameling van dialecten
• Na middeleeuwen → standaardtaal begint stilaan te ontstaan
→ eerst in Nederland, dan in België
• Jaren 50 → ABN-campagne (politiek)
• Jaren 60 → taalstrijd tussen Frans en Standaardnederlands
• Jaren 70 → slecht Nederlands door verfransing
fi
, 2. Leeftijd
a) Moedertaalverwerving
• = aangeboren taalgevoel van een baby wordt door imitatie van de ouders aangeleerd
(zowel biologisch als cultureel bepaald)
• Fases
➡ Pre-linguale fase
‣ Gaat vooraf aan het beheersen van een taal
‣ 0 - 1 jaar
‣ Geluiden, niet echt taal
➡ Een-woordzinfase
‣ Kind maakt zinnen van slechts één woord → klankencombinatie
‣ Overextentie = kind gebruikt één klank voor meerdere betekenissen
‣ 12 - 15 maanden
➡ Twee- of meerwoordzinfase
‣ Kinderen proberen zinnen te maken aan de hand van lexicale (dus NIET
grammaticale) woorden
‣ Leren woordvolgorde kennen
‣ Einde van deze fase → « baby » kent een duizendtal woorden
‣ 15 - 30 maanden
➡ Di erentiatiefase
‣ Grootste veranderingen
‣ Grammatical regels beginnen toe te passen, werkwoorden vervoegen, …
‣ Vinden vaak « nieuwe » woorden uit
‣ Overgeneralisatie = kind past grammaticale regels te breed toe
‣ 2,5 -, 5 jaar
➡ Naar de volwassen taalbeheersing
‣ Kennen al een 2000-tal woorden
‣ Fase blijft evolueren, eindigt nooit
‣ Vanaf 5 jaar
b) Jongeren- en studententaal
• Doel → om zich af te schermen tegen de wereld van volwassenen, om tot hun
peergroup te horen
• Kenmerken
➡ Engels
➡ Dialect
➡ Andere talen beïnvloeden
• Heeft invloed op het AN
• Taal → weerspiegeling van de samenleving
3. Sekse
a) Vrouwentaal
• Vrouwen
➡ Vaak betere gesprekspartners
b) Mannentaal
• Mannen
➡ Spreken vaak minder netjes als vrouwen
➡ Dialect = stoer
ff
Inleiding
• Variatie = verscheidenheid, diversiteit
• Vier soorten taalvariatie
➡ Sociale taalvariatie = gegroepeerd op basis van maatschappelijke kenmerken
➡ Situationele taalvariatie = situatie waarin de communicatie plaats vindt
➡ Tijdsgebonden taalvariatie = historische taalkunde
➡ Geogra sche taalvariatie = op basis van de wereldkaart
Sociale taalvariatie
Sociolect = taalvariant die bepaald wordt door een sociale factor
1. Sociale klassen
a) Bepalen van de sociale klasse
• Inkomen
• Beroep
• Bezittingen
• Hobby’s
• Auto, huis
• Manier van spreken !
• …
b) Soorten klassen
• Hogere klasse
➡ Standaardtaal
• Middenklasse
➡ Grootste groep
➡ Tussentaal
• Lagere klasse
➡ Dialect
c) Ontstaan van de standaardtaal
• Middel-Nederlands → verzameling van dialecten
• Na middeleeuwen → standaardtaal begint stilaan te ontstaan
→ eerst in Nederland, dan in België
• Jaren 50 → ABN-campagne (politiek)
• Jaren 60 → taalstrijd tussen Frans en Standaardnederlands
• Jaren 70 → slecht Nederlands door verfransing
fi
, 2. Leeftijd
a) Moedertaalverwerving
• = aangeboren taalgevoel van een baby wordt door imitatie van de ouders aangeleerd
(zowel biologisch als cultureel bepaald)
• Fases
➡ Pre-linguale fase
‣ Gaat vooraf aan het beheersen van een taal
‣ 0 - 1 jaar
‣ Geluiden, niet echt taal
➡ Een-woordzinfase
‣ Kind maakt zinnen van slechts één woord → klankencombinatie
‣ Overextentie = kind gebruikt één klank voor meerdere betekenissen
‣ 12 - 15 maanden
➡ Twee- of meerwoordzinfase
‣ Kinderen proberen zinnen te maken aan de hand van lexicale (dus NIET
grammaticale) woorden
‣ Leren woordvolgorde kennen
‣ Einde van deze fase → « baby » kent een duizendtal woorden
‣ 15 - 30 maanden
➡ Di erentiatiefase
‣ Grootste veranderingen
‣ Grammatical regels beginnen toe te passen, werkwoorden vervoegen, …
‣ Vinden vaak « nieuwe » woorden uit
‣ Overgeneralisatie = kind past grammaticale regels te breed toe
‣ 2,5 -, 5 jaar
➡ Naar de volwassen taalbeheersing
‣ Kennen al een 2000-tal woorden
‣ Fase blijft evolueren, eindigt nooit
‣ Vanaf 5 jaar
b) Jongeren- en studententaal
• Doel → om zich af te schermen tegen de wereld van volwassenen, om tot hun
peergroup te horen
• Kenmerken
➡ Engels
➡ Dialect
➡ Andere talen beïnvloeden
• Heeft invloed op het AN
• Taal → weerspiegeling van de samenleving
3. Sekse
a) Vrouwentaal
• Vrouwen
➡ Vaak betere gesprekspartners
b) Mannentaal
• Mannen
➡ Spreken vaak minder netjes als vrouwen
➡ Dialect = stoer
ff