Chapter 17 Loon determinatie
De vraag van het bedrijf naar arbeid
Afgeleide vraag: de vraag naar een hulpbron (bijv. arbeid) dat afstamt van de vraag naar een product.
De productie van dit product moet worden gedaan door middel van arbeid.
De afgeleide vraag hangt af van:
- De productiviteit van arbeid
- De prijs van het goed of dienst die het helpt te produceren
Marginaal inkomstenproduct (MRP) van arbeid is de verandering in de totale inkomsten van een
bedrijf wanneer het nog een arbeidseenheid in dienst heeft/ dus hoeveel kost het om nog één extra
iemand te laten werken.
- Marginal resource cost (MRC) van arbeid is de verandering in de totale kosten van een bedrijf
wanneer het nog een arbeidseenheid in dienst heeft.
- In een competitieve arbeidsmarkt is MRC gelijk aan het marktloon.
> MRP = MRC, dus MRP = loon, hierdoor
laat deze dus ook het de vraag van het bedrijf naar arbeid zien. Deze curve laat zien aan de
hoeveelheid arbeid het bedrijf zou aannemen voor elke loon.
, De vraagcurve naar arbeid kan verschuiven als er:
o Veranderingen in de productvraag: hogere productvraag – hogere vraag naar arbeid.
o Veranderingen in productiviteit: hogere arbeidsproductiviteit – hogere vraag naar arbeid.
Productiviteit hangt af van
Hoeveelheid andere middelen
Technologische vooruitgang
Kwaliteit van de arbeid
o Veranderingen in de prijzen van andere middelen:
een daling van de prijs van complementaire hulpbronnen verhoogt de vraag naar arbeid
een verandering in de prijs van vervangende hulpbronnen heeft een dubbelzinnig effect op
de vraag naar arbeid
Elasticiteit van de arbeidsvraag (beweging langs de lijn)
• Elasticiteit van de arbeidsvraag (Ew) is een maatstaf voor de responsiviteit van werkgevers op een
verandering van het loon. Dus hoe meer ze hierop reageren, hoe elastischer de arbeidsvraag.
• Ook wel loonelasticiteit van de vraag genoemd.
• Ew < 1: vraag naar arbeid is inelastisch
• Ew > 1: vraag naar arbeid is elastisch
• Ew = 1: vraag naar arbeid is eenheids-elastisch
Veranderingen in elasticiteit van arbeidsvraag
• Loonelasticiteit van de vraag hangt af van:
Gemakkelijke substitueerbaarheid van hulpbronnen: hoe groter de substitueerbaarheid, hoe
elastischer de arbeidsvraag. Want als arbeid makkelijker vervangbaar kan worden gemaakt is
de vraag kleiner dan als het hele exclusieve arbeid is. (Als de arbeid vervangbaar is voor bijv.
machines, dan is er vanuit de employers veel meer reactie op een loonsverandering)
Elasticiteit van de productvraag: hoe groter de elasticiteit van de productvraag, hoe groter de
elasticiteit van de vraag naar arbeid. Dus als de prijs omhooggaat en dat wordt verwerkt in
het product, dus dan loon ook hoger. Maar consumenten lopen weg want te dure prijzen.
Dan gaat vraag naar arbeid ook naar beneden.
Verhouding tussen arbeidskosten en totale kosten: hoe groter het aandeel van arbeid in de
totale kosten, hoe groter de elasticiteit van de arbeidsvraag. (Zijn de lonen het grootste deel
van het product, dan bij een loonsverhoging, gaat de prijs veel meer omhoog en merk je dat
veel eerder)