H1: Meerwaarde banken 3
1. Wat zijn banken? 3
2. Meerwaarde financieel systeem 4
3. Meerwaarde banken 8
3.1 Transfomatie door banken 8
3.2 Transformatiemarge en rentemarge 9
3.3 Geldschepping door banken 12
3.4 Overige taken van banken 15
H2: Producten banken 17
1. Algemeen 17
2. Beleggingsproducten 19
Zichtdeposito (= zichtrekening) 19
Spaardeposito 20
Termijndeposito 21
Kasbon 21
ICB 23
Kredietproducten 30
Hypothecaire kredieten 30
Consumentenkredieten 31
H3: Risico’s banken 32
Solvabiliteitsrisico → LT 32
Liquiditeitsrisico → KT 34
H4: Profiel en Ontwikkelingen 36
Desintermediatie 36
Schaalvergroting 37
Branchevervaging 40
Digitalisering 40
H5: Financiële analyse en balansbeleid 41
Financiële analyse + regulering 41
Rendabiliteit 41
Solvabiliteit 42
RAROC 45
Balansbeleid 46
Definitie 46
Hoe renterisico meten? 47
Rentegap-analyse 47
Duration 48
Simulatie 49
Hoe rentepositie veranderen? 49
1
,Financiële instellingen
H1: Meerwaarde banken
1. Wat zijn banken?
Banken = term gebruikt in courant taalgebruik
Kredietinstellingen = term gebruikt door de wetgever
Wet van 25 april 2014: (def bank/kredietinst.)
Kredietinstellingen zijn ondernemingen, waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het
publiek in ontvangst nemen van gelddeposito’s en het verlenen van kredieten voor
eigen rekening.
● Taak 1: in ontvangst nemen van gelddeposito’s
● Taak 2: Verlenen van kredieten
● Allebei de taken ⇒ Bank doet aan intermediatie (= als tussenpersoon optreden)
● Voor eigen rekening:
○ Vb. ik heb 50k op mijn spaarboekje
○ Bank gebruikt mijn geld voor krediet (lening) aan bakker
○ Bakker gaat failliet
○ Wie draagt verlies? Bank
Welke rol spelen de banken in de economie?
Kredietgevers (spaaroverschotten): zij die leningen verstrekken aan de bank (bv. geld
deponeren op spaarboekje)
= particulieren, gezinnen, bedrijven
Kredietnemers (spaartekorten): Nemen/ontvangen krediet van de bank = particulieren,
gezinnen, bedrijven, overheid
2
,Kredietnemers en -gevers kunnen ook via een ander kanaal: de financiële markt
(kapitaalmarkt): (financiële markt en bank = ‘financieel systeem’)
2. Meerwaarde financieel systeem
Financieel systeem = financiële markt/bank
Meerwaarde: Mogelijkheid om te sparen/lenen ⇒ Hoger nut bij financieel systeem
Veronderstellingen:
● 2 perioden
Grafiek: 1 persoon (representatief voor iedereen) GEEN FINANCIEEL SYSTEEM!
Uitleg: Persoon gaat een deel van zijn inkomen investeren (niet consumeren in periode 1),
in periode 2 opbrengst van die investering.
Vb. Landbouwer die aardappelen teelt, in periode 1 oogsten, verkoopt die en y1 is
opbrengst van die aardappelen in periode 1. Volgend jaar zelfde en y2 is verkoop van
aardappelen in periode 2. Oogst van periode 1 gaat hij niet verkopen maar opnieuw
planten = fysieke investering ⇒ van Z naar Q.
C1 is een geldbedrag dat hij consumeert in periode 1, C2 …
3
, ● dalende rendementen
Rendement = opbrengst / investering
Bij een fysieke investering: Rendement daalt als investering stijgt (ceteris paribus dus bv.
geen extra oppervlakte voor landbouwer)
Vb. Meer aardappelen per stuk landbouwgrond dus opbrengst extra aardappelen neemt
af, totale opbrengst zal toenemen maar opbrengst/investering (rendement) neemt af
● Nut bepaald door C1 en C2 : U(C1 ,C2)
U= Utility = Nut
U stijgt in C1 , C2
● Keuze (C1 , C2) zodat maximalisatie nut
Restrictie: ‘haalbare gebied’ = alles onder en links van FYL
Nutscurve beter hoe meer naar rechtsboven
⇒ Q (verbonden door C1 en C2 die maximaal nut geven)
4