Test je kennis: motorisch leren (vragen)
Hoofdstuk 1
1. Bij het opstellen van een leerproces zijn er volgens Adams 6 stappen van belang. Welke van
de volgende stappen hoort hier niet thuis?
A. Bepalen van de uitkomstmaat
B. Manipuleren van bijvoorbeeld hoeveelheid FB
C. Optimaliseren van de leeromgeving
D. Het geheugen- en perceptueel spoor van elkaar onderscheiden
E. Onderscheid maken tussen leren en bijv. vermoeidheid
F. Het verbeteren van de beweging
2. Een voorbeeld van een gesloten-lus controle systeem is dat het snel is en zich kan aanpassen
aan veranderingen in de omgeving
A. Waar
B. Niet waar
3. Er zijn twee geheugentoestanden van belang in de theorie van Adams. Welk spoor heeft
betrekking op kennis van resultaten
A. Het perceptueel spoor
B. Het geheugenspoor
4. Het feit dat gedeafferentieerde dieren en mensen vaardig motorisch gedrag kunnen
vertonen, was bewijs voor:
A. Het bestaan van een geheugenspoor
B. Het belang van feedback van motorische controle
C. Het bestaan van een centrale patroon generator
D. Het bestaan van centrale programma’s
5. CPG is een netwerk van neuronen dat flexoren en extensoren aanstuurt
A. Waar
B. Niet waar
6. De hand waarmee je een glas wenst op te pakken, is een voorbeeld van een parameter
A. Waar
B. Niet waar
7. Binnen de schema theorie zijn er 3 schema’s. Welk schema hecht het meeste belang aan
parameters?
A. Herinnering
B. Herkenning
C. Fouten detectie
8. IN het onderzoek van McCracken en Stelmach werd men gevraagd om een beweging uit te
voeren in 200 ms. Er werden verschillende afstanden aangeboden tijdens leren. Deze werden
constant of variabel geoefend . Tijdens immediate transfer werd een afstand van 50cm
aangeboden. Om welk concept te testen werd deze afstand toegevoegd
A. Stockage probleem
B. Nieuwigheidsprobleem
C. Probleem van snelle bewegingen
, 9. Welke uitspraak over de dynamische patroon theorie is correct?
A. Belangrijke nadruk op representaties
B. Je kan hiermee de coördinatie van meerdere effectoren tegelijk verklaren
C. Heeft geen betrekking op cyclische bewegingen
D. Is enkel toe te passen op het humane systeem
10. De theorie van Adams wordt gekenmerkt door hogere orde representaties, terwijl de theorie
van Schmidt en de DPT eerder spreken over zelf-organisatie.
A. Waar
B. Niet waar
Hoofdstuk 2
1. Hink stap springen is een voorbeeld van een … beweging
A. Discrete
B. Seriële
C. Continue
2. Een afhankelijke variabel om prestatie/leren te beoordelen, moet voldoen aan Objectiviteit,
betrouwbaarheid en generaliseerbaarheid
A. Waar
B. Niet waar
3. Motorische tijd is de tijd die verloopt tussen:
A. Stimulus en start activiteit in de spier
B. Stimulus en start beweging
C. Start activiteit in de spier en start beweging
D. Start activiteit in de spier en einde van de beweging
4. Gymnast die grondoefening uitvoert. Dit is een voorbeeld van een … vaardigheid
A. Open
B. Gesloten
5. Met de neurocom kan je grote motoriek testen. Met dit apparaat kan je zowel visuele als
somatosensorische informatie manipuleren
A. Waar
B. Niet Waar
6. Met diffusie tensor imaging, breng je volgende in kaart:
A. Hersenactiviteit
B. Corticale exciteerbaarheid
C. Elektrostromen in de hersenen
D. Neurotransmitters
E. Kwaliteit van de witte hersenstof
7. Bias heeft betrekking op:
A. Consistentie van de beweging van poging tot poging
B. Afwijking van het doel in absolute zin
C. De radiale error
D. Systematisch gebrek aan nauwkeurigheid
Hoofdstuk 1
1. Bij het opstellen van een leerproces zijn er volgens Adams 6 stappen van belang. Welke van
de volgende stappen hoort hier niet thuis?
A. Bepalen van de uitkomstmaat
B. Manipuleren van bijvoorbeeld hoeveelheid FB
C. Optimaliseren van de leeromgeving
D. Het geheugen- en perceptueel spoor van elkaar onderscheiden
E. Onderscheid maken tussen leren en bijv. vermoeidheid
F. Het verbeteren van de beweging
2. Een voorbeeld van een gesloten-lus controle systeem is dat het snel is en zich kan aanpassen
aan veranderingen in de omgeving
A. Waar
B. Niet waar
3. Er zijn twee geheugentoestanden van belang in de theorie van Adams. Welk spoor heeft
betrekking op kennis van resultaten
A. Het perceptueel spoor
B. Het geheugenspoor
4. Het feit dat gedeafferentieerde dieren en mensen vaardig motorisch gedrag kunnen
vertonen, was bewijs voor:
A. Het bestaan van een geheugenspoor
B. Het belang van feedback van motorische controle
C. Het bestaan van een centrale patroon generator
D. Het bestaan van centrale programma’s
5. CPG is een netwerk van neuronen dat flexoren en extensoren aanstuurt
A. Waar
B. Niet waar
6. De hand waarmee je een glas wenst op te pakken, is een voorbeeld van een parameter
A. Waar
B. Niet waar
7. Binnen de schema theorie zijn er 3 schema’s. Welk schema hecht het meeste belang aan
parameters?
A. Herinnering
B. Herkenning
C. Fouten detectie
8. IN het onderzoek van McCracken en Stelmach werd men gevraagd om een beweging uit te
voeren in 200 ms. Er werden verschillende afstanden aangeboden tijdens leren. Deze werden
constant of variabel geoefend . Tijdens immediate transfer werd een afstand van 50cm
aangeboden. Om welk concept te testen werd deze afstand toegevoegd
A. Stockage probleem
B. Nieuwigheidsprobleem
C. Probleem van snelle bewegingen
, 9. Welke uitspraak over de dynamische patroon theorie is correct?
A. Belangrijke nadruk op representaties
B. Je kan hiermee de coördinatie van meerdere effectoren tegelijk verklaren
C. Heeft geen betrekking op cyclische bewegingen
D. Is enkel toe te passen op het humane systeem
10. De theorie van Adams wordt gekenmerkt door hogere orde representaties, terwijl de theorie
van Schmidt en de DPT eerder spreken over zelf-organisatie.
A. Waar
B. Niet waar
Hoofdstuk 2
1. Hink stap springen is een voorbeeld van een … beweging
A. Discrete
B. Seriële
C. Continue
2. Een afhankelijke variabel om prestatie/leren te beoordelen, moet voldoen aan Objectiviteit,
betrouwbaarheid en generaliseerbaarheid
A. Waar
B. Niet waar
3. Motorische tijd is de tijd die verloopt tussen:
A. Stimulus en start activiteit in de spier
B. Stimulus en start beweging
C. Start activiteit in de spier en start beweging
D. Start activiteit in de spier en einde van de beweging
4. Gymnast die grondoefening uitvoert. Dit is een voorbeeld van een … vaardigheid
A. Open
B. Gesloten
5. Met de neurocom kan je grote motoriek testen. Met dit apparaat kan je zowel visuele als
somatosensorische informatie manipuleren
A. Waar
B. Niet Waar
6. Met diffusie tensor imaging, breng je volgende in kaart:
A. Hersenactiviteit
B. Corticale exciteerbaarheid
C. Elektrostromen in de hersenen
D. Neurotransmitters
E. Kwaliteit van de witte hersenstof
7. Bias heeft betrekking op:
A. Consistentie van de beweging van poging tot poging
B. Afwijking van het doel in absolute zin
C. De radiale error
D. Systematisch gebrek aan nauwkeurigheid