Enkel en voet regio
Inleiding
- art talocruralis
- art tibiofibularis proximalis en distalis
- art subtalaris
- art talocalcaneonaviculare
- art calcaneocuboidea
- art cuneonaviculare
- art cuboideocuneonaviculare
- art tarsometatarseae
- art intermetatarseae proximales
- art metatarsofalangeale proximales, intermedius en distalis
Enkel/voet fungeert als stabiele basis die aan een grote mobiliteit moet voordoen. Dit voor
de bewegingsvrijheid van de proximale ledematen onderste lidmaat niet te beperken, en om
aan bodem varianten aan te passen.
1
, Art. talocruralis = bovenste spronggewricht
→ Het is een art ginglymus (scharniergewricht) functioneel gezien, maar niet anatomisch
→ Het is een art sellaris (zadelgewricht/ katrolvormig) volgens zijn anatomie, maar niet zijn
functie
Men kan 1 bewegingsvrijheidsgraad observeren: plantair/dorsiflexie.
Trochlea tali: vooraan breder als achteraan (door afwijking v.d. laterale zijde naar ventraal en
lateraal) dit zorgt er voor dat op het einde van dorsiflexie de trochlea vastloopt in de
tibiofibulaire vork.
het gewricht wordt gevormd door 6 articulerende gerichtsoppervlakken op 3 verschillende
botstukken (twee gewrichtslijnen):
- facies art. inferior tibiae met facies art. superior trochleae tali
- facies art. malleolaris tibiae met facies art. malleolaris medialis trochlea tali
- facies art malleolaris fibulae met facies art. malleolaris lateralis trochlea tali
De talus is wigvormig:
- anteroposterior: convex
- mediolalateraal: richel/ groeve
CPP van het talocruraal gewricht: maximale dorsaalflexie
Ruststand wordt bereikt bij 10 °plantairflexie
meer uitgesproken → plaats van vastlopen convex
bij dorsiflexie concaaf
spong kracht op tibia
membrana interossea
2
Inleiding
- art talocruralis
- art tibiofibularis proximalis en distalis
- art subtalaris
- art talocalcaneonaviculare
- art calcaneocuboidea
- art cuneonaviculare
- art cuboideocuneonaviculare
- art tarsometatarseae
- art intermetatarseae proximales
- art metatarsofalangeale proximales, intermedius en distalis
Enkel/voet fungeert als stabiele basis die aan een grote mobiliteit moet voordoen. Dit voor
de bewegingsvrijheid van de proximale ledematen onderste lidmaat niet te beperken, en om
aan bodem varianten aan te passen.
1
, Art. talocruralis = bovenste spronggewricht
→ Het is een art ginglymus (scharniergewricht) functioneel gezien, maar niet anatomisch
→ Het is een art sellaris (zadelgewricht/ katrolvormig) volgens zijn anatomie, maar niet zijn
functie
Men kan 1 bewegingsvrijheidsgraad observeren: plantair/dorsiflexie.
Trochlea tali: vooraan breder als achteraan (door afwijking v.d. laterale zijde naar ventraal en
lateraal) dit zorgt er voor dat op het einde van dorsiflexie de trochlea vastloopt in de
tibiofibulaire vork.
het gewricht wordt gevormd door 6 articulerende gerichtsoppervlakken op 3 verschillende
botstukken (twee gewrichtslijnen):
- facies art. inferior tibiae met facies art. superior trochleae tali
- facies art. malleolaris tibiae met facies art. malleolaris medialis trochlea tali
- facies art malleolaris fibulae met facies art. malleolaris lateralis trochlea tali
De talus is wigvormig:
- anteroposterior: convex
- mediolalateraal: richel/ groeve
CPP van het talocruraal gewricht: maximale dorsaalflexie
Ruststand wordt bereikt bij 10 °plantairflexie
meer uitgesproken → plaats van vastlopen convex
bij dorsiflexie concaaf
spong kracht op tibia
membrana interossea
2