Motorische controle en leren
- Motorische vaardigheden: geheel van lichaamsdelen die bewust en doelgericht uitgevoerd
worden en aangeleerd zijn
- Beweging: deelcomponenten van de vaardigheid dat op verschillende manieren tot dezelfde
vaardigheden kan leiden (zelfde doel (vaardigheid) bestaat bij verschillende individuen uit
verschillende bewegingen
- Ability (vermogen): persoonlijke en relatief stabiele eigenschap die de onderbouw vormt van
iemands potentieel voor een specifieke taak (is aangeboren)
- Skill: vaardigheid (moet aangeleerd worden)
- All-round performers: goed in alles wat met motorisch gedrag te maken heeft
- All-round learners: leert makkelijk nieuwe handelingen
- General motor abilities: alle abilities zijn sterk aan elkaar gerelateerd en reflecteren in feite 1
onderliggende eigenschap (of gen)
- Specific motor abilities: niet of nauwelijks met elkaar gerelateerd
- Taakanalyse: opsplitsen van een vaardigheid in verschillende deelbewegingen en van daaruit
de noodzakelijke abilities afleiden
- Stimulus identificatie: waarnemen van relevante info uit omgeving en lichaam
- Respons selectie en programmering: beslissen wat te doen en hoe
- Respons uitvoering: productie van georganiseerde spieractiviteit
- Discreet-serieel-continu: heeft de taak een duidelijk startpunt en/of eindpunt
- Taxonomie van Gentile: het bepalen van de moeilijkheidsgraad obv omgeving
(statisch/dynamisch en variatie/geen variatie mogelijk) en de taakfunctie (statisch/dynamisch
en manipulatie/gaan manipulatie mogelijk)
- Reactietijd (RT): tijdsverloop tussen signaal en eerste merkbare beweging
- Movement time (MT): tijd nodig op beweging/actie volledig uit te voeren vanaf de eerste
merkbare beweging
- Response time (RsT): RT + MT
- Root mean square error (RMSE): de foutscore (oppervlakte tussen de curve gemaakt door de
fouten vd persoon en de ideale curve)
- Coördinatie: hoe gaan 2 spieren/segmenten zich oriënteren tov elkaar tijdens een beweging
- Hoek-hoek diagram kwalitatief: expressie van hoe twee gewrichten/segmenten zich relatief
ten opzichte van elkaar gedragen tijdens een actie
- Experiment van scott kelso: wijsvingers in anti-fase proberen te bewegen tov elkaar. Na een
tijd gaan ze in fase gaan bewegen
- Elektro-encefalogram (EEG): registratie van voltages aan het schedeloppervlak dmv
elektroden afhankelijk waarbij het resultaat afhankelijk is van de locatie en activiteitsgraad in
de hersenen
- Positron emission tomografie (PET): indirecte meting van metabolisme. Radioactieve glucose
wordt ingespoten in de hersenen. Wanneer een deel van de hersenen actief is, gaat die meer
glucose verbruiken en stoot die positronen uit (door afbraak van radioactieve stoffen) en het
toestel zal deze stof detecteren
- Functionele magnetische resonantie imaging (fMRI): de scanner gaat een sterk magnetisch
veld opwekken. Wanneer de radiopuls uitgezet wordt, komt E vrij en die wordt gedetecteerd