pagina na de vragen)
Het cardiovasculaire systeem, hart en bloed
1. Het zuurstof arme bloed komt via de vena cava superior en vena cava
inferior het hart binnen.
2. Het pericardium is een membraan dat bestaat uit twee onderdelen.
Stelling: een van deze onderdelen is het velletje om het hart.
3. De linker atrium is de krachtigste van de vier ruimtes in het hart.
4. Het hart wordt aangestuurd doormiddel van de Atrioventriculaire knoop,
deze staat ook wel bekend als de ‘pacemaker’.
5. Op het ECG is een opname van de elektrische activiteit van het hart te
zien, hierin zijn drie herkenbare onderdelen, ookwel het QRS-complex.
Stelling: de repolarisatie van de atria is gemakkelijk te zien op het ECG.
6. Het hartminuutvolume is de hoeveelheid bloed die je rechterventrikel per
minuut het hart uitpompt.
7. Bij een getraind persoon wordt er meer bloed uit het hart gepompt dan bij
een ongetraind iemand.
Het cardiovasculaire systeem, bloedsomloop en bloeddruk
8. De bovendruk wordt ook wel de systolische bloeddruk genoemd.
9. Hiernaast zie je een plaatje van de bestandsdelen van bloed. Het
gele gedeelte wordt ook wel het bloedplasma genoemd.
10. De gemiddelde drukgradiënt is 120 mmHg.
11. Wanneer de viscositeit van het bloed toeneemt, neemt de
weerstand tegen stroming af.
12. De 45% vaste deeltjes van het bloed bestaan meer uit rode
bloedcellen dan uit witte bloedcellen.
13. In rust gaat het meeste bloed naar de lever, nieren, maag,
darmen.
Het respiratoire systeem
14. Bij de externe respiratie zijn 2 processen. Stelling: een hiervan is de
longventilatie.
15. Uitademing wordt ook wel inspiratie genoemd.
16. Tijdens de inspiratie wordt de ruimte in de longen groter, waardoor
er een lage druk ontstaat en de lucht vanzelf naar binnenstroomt.
17. De longdiffusie vindt plaats tussen het respiratoire membraan en
alveoli. Stelling: dit kan doordat de partiële druk tussen beide gelijk is.
18. Het zuurstoftransport vindt plaats door de binding aan hemoglobine.
Stelling: hemoglobine heeft per heemgroep 4 zuurstofmoleculen binden.
19. Het koolstofdioxide transport vind plaats op drie manieren. Een
daarvan is door de binding aan Carbaminohemoglobine.
Bouw en werking van spieren
20. We hebben drie type spieren; gladspierweefsel, hartspierweefsel en
skeletspierweefsel. Het hartspierweefsel sturen wij bewust aan.
21. Onze spier is beschermd door een bindweefsel. Dit bindweefsel heet
het perimysium.
22. De transversale tubuli is een buissysteem dat door de myofibril
loopt. Stelling: de t-tubuli zorgt voor de uitwisselingen van stoffen en
afvalstoffen.
23. Calcium is nodig voor het krijgen van een spiercontractie. Stelling:
het calcium ligt opgeslagen in het sarcoplasmatische reticulum.