212
HOOFDSTUK 9: HET KONIJN
INLEIDING
▪ Behoort tot de haasachtigen (Duplicidentata) en niet de knaagdieren → heeft 2 kleinere stifttanden in de bovenkaak
▪ Verschil tussen haas en konijn:
Verschil Hazen Konijnen
Drachtduur 40 dagen 28 à 31 dagen (ongeveer 1 maand)
Geboorteplaats Op bovengrondse + beschutte plaats Onderaards hol (in het wild)
Geboortekleed Behaard + met open ogen Hulpeloos + naakt + blind
Type nestdieren Nestvlieders → komen recent na Nestblijvers → blijven gedurende
geboorte nest al uit om samen met meerdere weken gezoogd + komen
moeder groenvoeder te zoeken daarna pas hol uit
▪ Domesticatie
o Laat gedomesticeerd: 17e eeuw
o Als vleesproducent ingezet vanaf de 19e eeuw
o Twee hoofdcategorieën
▪ Nutskonijnen → voor vlees en pels
▪ Hobby-, luxe- of sportkonijnen → liefhebberij + gezelschapsdier + tentoonstellingen
▪ Vleesproducent
o Niet veeleisend in huisvesting en voeding → maken hoogwaardige eiwitten aan uit grofvezelige of toxische
voeding die niet verteerd wordt door mens en andere soorten
o Is diëtisch verantwoord → rijker aan eiwitten + energiearmer + vetarmer dan meeste andere vleessoorten
o Hoog voortplantingsritme → voedsters kunnen al vanaf 4 à 5 maanden gedekt worden
o Hoge groeikracht → zeer rijke moedermelk
▪ 14% eiwitten
▪ 11% vetten
▪ 1% lactose
▪ Worden ook gehouden voor de pels
o Kortharige/gladharige rexvariëteiten → gekweekt voor bontmantelnijverheid
o Langharige Angorakonijnen → wolproductie
▪ Hoger thermisch isolerend vermogen dan lamswol
▪ Voedsters → jaarlijks 900 à 1200 g wol
▪ China is belangrijkste producent (85% v/d wereld!)
, 213
ENKELE ELEMENTEN VAN DE UITWENDIGE BEOORDELING VAN KONIJNEN
▪ Afhankelijke van differentiatie → andere criteria belangrijk
o Vleesrichting → bodemvastheid + bespierdheid
o Sportrichting → voorgehouden morfologische rasstandaard zo perfect mogelijk benaderen
ENKELE BENAMINGEN VAN TYPISCHE AFTEKENINGEN
AAN DE KOP
▪ Vlinder
o Scherp afgetekende donkere vlek op de snuit in de vorm van een vlinder
o Loopt tot beide mondhoeken
▪ Oogring
o Volledig gekleurde ring rond de ogen
o Overal even breed
▪ Oogvlekken
o Gemengd gekleurde ring rond de ogen
o Hoeft niet volledig te zijn
▪ Doorn
o Vlek
o Precies op midden van neusrug
▪ Wangstip
o Gekleurde vlek op de wang
o Iets onder ogen gelegen
▪ Bles
o Witte aftekening
o Begint tussen de ogen
o Wordt breder naar neus + muil toe
o Loopt door op takken van de onderkaak (zoals omgekeerd V)
▪ Koptekening → gekleurd deel rond de bles + gekleurde oren
▪ Witte bovenlipvlek → witte vlek rond spleet van de bovenlip
▪ Gekleurde neus → gekleurde neus + bovenlip
▪ Gevlekte neus → gekleurde vlekken op neus + bovenlip
▪ Masker → vlek op snuit tot bijna onder de ogen
OP DE ROMP
▪ Aalstreep
o Gekleurde streep
o Ontstaat uit gekleurde oren
o Loopt over nek + wervelkolom door tot op bovenzijde staart
▪ Mantel → naar achterhand breder wordende aalstreep
▪ Hollanderaftekening
o Witte voorhand + borstkas + voeten aan achterpoten
o Gekleurde buik + achterhand
o Bles op de kop
▪ Ketting
o Dubbele rij stippen → gaan vanaf hals schuin naar beneden + worden breder + gaan over in vlektekening op
achterhand
▪ Rusaftekening/hymalaya-aftekening → zie Ruskonijn + Californiër
▪ Lotharingeraftekening → zie Groot Lotharinger
, 214
Figuur 144: ketting (links), aalstreep (midden) en manchet (rechts)
AAN DE LEDEMATEN
▪ Manchet
o Witte voet (soms zelfs iets hoger)
o Resterende deel v/d poot is gekleurd
BEOORDELING VAN AFZONDERLIJKE LICHAAMSSTREKEN
DE KOP
▪ Krachtig + breed
▪ Ram: regelmatig ramskop
▪ Snijtanden moeten goed op elkaar passen
o Snoeksgebit + varkensgebit → snijtanden groeien door tot olifantentanden
(hinderen voederopname)
▪ Kinverdikking/kinknoop → schoonheidsgebrek
DE OREN
▪ Lengte + breedte → rastypisch
▪ Stand van de oren
o Rasafhankelijk Figuur 145: kinknoop
o Indien rechtopstaand → V-vormig op hoofd ingeplant + ooropening naar buiten
o Tippende oren/kiporen + asymmetrische/half hangende oren zijn ongewenst
▪ Beharing → fijn + op ganse buitenoor aanwezig
▪ Scheuren → meestal schoonheidsfoutje
▪ Binnenoor → moet droog zijn
Figuur 146: correcte oorstand (1), kiporen (2), iets te wijde oorstand (3), omgebogen oortop (4) en sterk afwijkende oorstand (5)
, 215
HALS EN KEEL
▪ Eerder korte hals
▪ Zowel hals als keel → vrij van huidplooien
▪ Wam kan voorkomen
o = sigaarvormige keelhuidplooi
o Komt soms zelfs dubbel voor
Figuur 147: enkelvoudige wam (links) en dubbele wam (rechts)
DE ROMP
▪ Brede + goed gespierde rug
▪ Goed gewelfde ribben
▪ Verbreding in lenden + kruis
▪ Sterk gespierde dijen + billen → bepaalde rassen vertonen mandolinetype/doorgesneden peertype
▪ Hogere + bredere + gespierdere achterhand
▪ Brede + tegen midden van achterhand staande staart
DE LEDEMATEN
▪ Korte + goed gesloten + liefst dik behaarde voeten
▪ Voorkomende afwijkingen
o Koehakkigheid → vrij frequent
o X- en O-benigheid → vooral aan voorpoten
Figuur 148: nauwe achterhand + koehakkigheid (1), normale achterhand (2), X-benen (3) en O-benen (4)
DE PELS
▪ Krab- + bijtletsels → schoonheidsfouten (kunnen ook tot onderhuidse abcessen leiden)
▪ Onderscheid in 3 types
o Normaalharig konijnen
▪ Zeer dichte onderwol
▪ Grannenharen steken regelmatig verspreid uit
HOOFDSTUK 9: HET KONIJN
INLEIDING
▪ Behoort tot de haasachtigen (Duplicidentata) en niet de knaagdieren → heeft 2 kleinere stifttanden in de bovenkaak
▪ Verschil tussen haas en konijn:
Verschil Hazen Konijnen
Drachtduur 40 dagen 28 à 31 dagen (ongeveer 1 maand)
Geboorteplaats Op bovengrondse + beschutte plaats Onderaards hol (in het wild)
Geboortekleed Behaard + met open ogen Hulpeloos + naakt + blind
Type nestdieren Nestvlieders → komen recent na Nestblijvers → blijven gedurende
geboorte nest al uit om samen met meerdere weken gezoogd + komen
moeder groenvoeder te zoeken daarna pas hol uit
▪ Domesticatie
o Laat gedomesticeerd: 17e eeuw
o Als vleesproducent ingezet vanaf de 19e eeuw
o Twee hoofdcategorieën
▪ Nutskonijnen → voor vlees en pels
▪ Hobby-, luxe- of sportkonijnen → liefhebberij + gezelschapsdier + tentoonstellingen
▪ Vleesproducent
o Niet veeleisend in huisvesting en voeding → maken hoogwaardige eiwitten aan uit grofvezelige of toxische
voeding die niet verteerd wordt door mens en andere soorten
o Is diëtisch verantwoord → rijker aan eiwitten + energiearmer + vetarmer dan meeste andere vleessoorten
o Hoog voortplantingsritme → voedsters kunnen al vanaf 4 à 5 maanden gedekt worden
o Hoge groeikracht → zeer rijke moedermelk
▪ 14% eiwitten
▪ 11% vetten
▪ 1% lactose
▪ Worden ook gehouden voor de pels
o Kortharige/gladharige rexvariëteiten → gekweekt voor bontmantelnijverheid
o Langharige Angorakonijnen → wolproductie
▪ Hoger thermisch isolerend vermogen dan lamswol
▪ Voedsters → jaarlijks 900 à 1200 g wol
▪ China is belangrijkste producent (85% v/d wereld!)
, 213
ENKELE ELEMENTEN VAN DE UITWENDIGE BEOORDELING VAN KONIJNEN
▪ Afhankelijke van differentiatie → andere criteria belangrijk
o Vleesrichting → bodemvastheid + bespierdheid
o Sportrichting → voorgehouden morfologische rasstandaard zo perfect mogelijk benaderen
ENKELE BENAMINGEN VAN TYPISCHE AFTEKENINGEN
AAN DE KOP
▪ Vlinder
o Scherp afgetekende donkere vlek op de snuit in de vorm van een vlinder
o Loopt tot beide mondhoeken
▪ Oogring
o Volledig gekleurde ring rond de ogen
o Overal even breed
▪ Oogvlekken
o Gemengd gekleurde ring rond de ogen
o Hoeft niet volledig te zijn
▪ Doorn
o Vlek
o Precies op midden van neusrug
▪ Wangstip
o Gekleurde vlek op de wang
o Iets onder ogen gelegen
▪ Bles
o Witte aftekening
o Begint tussen de ogen
o Wordt breder naar neus + muil toe
o Loopt door op takken van de onderkaak (zoals omgekeerd V)
▪ Koptekening → gekleurd deel rond de bles + gekleurde oren
▪ Witte bovenlipvlek → witte vlek rond spleet van de bovenlip
▪ Gekleurde neus → gekleurde neus + bovenlip
▪ Gevlekte neus → gekleurde vlekken op neus + bovenlip
▪ Masker → vlek op snuit tot bijna onder de ogen
OP DE ROMP
▪ Aalstreep
o Gekleurde streep
o Ontstaat uit gekleurde oren
o Loopt over nek + wervelkolom door tot op bovenzijde staart
▪ Mantel → naar achterhand breder wordende aalstreep
▪ Hollanderaftekening
o Witte voorhand + borstkas + voeten aan achterpoten
o Gekleurde buik + achterhand
o Bles op de kop
▪ Ketting
o Dubbele rij stippen → gaan vanaf hals schuin naar beneden + worden breder + gaan over in vlektekening op
achterhand
▪ Rusaftekening/hymalaya-aftekening → zie Ruskonijn + Californiër
▪ Lotharingeraftekening → zie Groot Lotharinger
, 214
Figuur 144: ketting (links), aalstreep (midden) en manchet (rechts)
AAN DE LEDEMATEN
▪ Manchet
o Witte voet (soms zelfs iets hoger)
o Resterende deel v/d poot is gekleurd
BEOORDELING VAN AFZONDERLIJKE LICHAAMSSTREKEN
DE KOP
▪ Krachtig + breed
▪ Ram: regelmatig ramskop
▪ Snijtanden moeten goed op elkaar passen
o Snoeksgebit + varkensgebit → snijtanden groeien door tot olifantentanden
(hinderen voederopname)
▪ Kinverdikking/kinknoop → schoonheidsgebrek
DE OREN
▪ Lengte + breedte → rastypisch
▪ Stand van de oren
o Rasafhankelijk Figuur 145: kinknoop
o Indien rechtopstaand → V-vormig op hoofd ingeplant + ooropening naar buiten
o Tippende oren/kiporen + asymmetrische/half hangende oren zijn ongewenst
▪ Beharing → fijn + op ganse buitenoor aanwezig
▪ Scheuren → meestal schoonheidsfoutje
▪ Binnenoor → moet droog zijn
Figuur 146: correcte oorstand (1), kiporen (2), iets te wijde oorstand (3), omgebogen oortop (4) en sterk afwijkende oorstand (5)
, 215
HALS EN KEEL
▪ Eerder korte hals
▪ Zowel hals als keel → vrij van huidplooien
▪ Wam kan voorkomen
o = sigaarvormige keelhuidplooi
o Komt soms zelfs dubbel voor
Figuur 147: enkelvoudige wam (links) en dubbele wam (rechts)
DE ROMP
▪ Brede + goed gespierde rug
▪ Goed gewelfde ribben
▪ Verbreding in lenden + kruis
▪ Sterk gespierde dijen + billen → bepaalde rassen vertonen mandolinetype/doorgesneden peertype
▪ Hogere + bredere + gespierdere achterhand
▪ Brede + tegen midden van achterhand staande staart
DE LEDEMATEN
▪ Korte + goed gesloten + liefst dik behaarde voeten
▪ Voorkomende afwijkingen
o Koehakkigheid → vrij frequent
o X- en O-benigheid → vooral aan voorpoten
Figuur 148: nauwe achterhand + koehakkigheid (1), normale achterhand (2), X-benen (3) en O-benen (4)
DE PELS
▪ Krab- + bijtletsels → schoonheidsfouten (kunnen ook tot onderhuidse abcessen leiden)
▪ Onderscheid in 3 types
o Normaalharig konijnen
▪ Zeer dichte onderwol
▪ Grannenharen steken regelmatig verspreid uit