2022
Kernbegrippen psychologie
1-6
PSYCHOLOGIE UGENT
MAËL DE DEURWAERDER
, Kernbegrippen Les1:
Behaviorisme: Gedrag – omgeving
= het zoeken naar wetmatigheden tussen elementen in de omgeving en gedragsveranderingen -
> pragmatisch/ human engineering ~ nudging
Verklaren het gedrag
Cognitieve psychologie: focus op interne processen
“Hoe komt het dat die verandering in de omgeving leidt tot die gedragsverandering? WAAROM?
Interne processen kunnen heuristische en predictieve waarde hebben
Ze kunnen helpen om gedrag te begrijpen, voorspellen en beïnvloeden
Verklaren relatie tussen omgeving en gedrag via interne processen
Gesofisticeerd behaviorisme: sommige gedragsveranderingen zijn observeerbaar voor derden, terwijl andere
enkel observeerbaar zijn voor het subject zelf (privaat)
Literatuurstudie: bestudeert de literatuur die er al is (samenvatten, problemen aanstippen, algemene
conclusies trekken)
Heuristische waarde: helpen formuleren van nieuwe vragen en om theorie te formuleren
Naturalistische observatie = beschrijvend onderzoek: systematische observatie van ‘natuurlijk gedrag’ in
een ‘natuurlijke context’
Antropologie= mensleer
Ethologie= dierenleer (in het wild)
GEEN random toewijzing en GEEN interventies
Probleem: reactieve gedragingen
Sociale wenselijkheid: hoe ze willen dat de anderen hun zien
Reactieve gedragingen: neiging om zich anders te gedragen tijdens observatie
Vragenlijst: bevraging van betrokkenen
Opgelet: vertekening en sociale wenselijkheid
Opiniepeiling & het probleem van de representatieve steekproef: inventaris van opinies
Bv. lezers van bepaalde kranten stemmen anders
Gestructureerd interview: vragen liggen op voorhand vast
Meer controle
Ongestructureerd interview: vragen liggen niet op voorhand vast, er wordt ingegaan op de antwoorden
van de ondervraagde, doorvragen
Mogelijks rode draad kwijtraken
Gestandaardiseerde tests: geijkte meetprocedures van een vaardigheid of eigenschap. Beschikbaarheid
van “normscores”
Vragenlijsten/taken
Bv. IQ-test
, Gevalstudie: intensief, gedetailleerd onderzoek over 1 persoon. Zeldzaam fenomeen onderzoeken om dat
te veralgemenen.
Correlaties: verbanden tussen (afhankelijke) variabelen (geen oorzaken)
Samenhang zoeken
Variabele: gemeten kenmerk dat kan variëren
Correlatiecoëfficiënt: een getal tussen -1,00 en +1,00 dat de mate en de richting van het verband uitdrukt
Positieve correlatie: beide variabelen variëren in dezelfde richting (toenemen + toenemen of afnemen +
afnemen)
Correlatiecoëfficiënt: +0,01 - +1,00
Negatieve correlatie: wanneer de ene variabele toeneemt en de andere afneemt en omgekeerd
Correlatiecoëfficiënt: -0,01 - -1,00
Nulcorrelatie: er is geen verband tussen de 2 variabelen. Correlatiecoëfficiënt: dicht bij 0,00
Interpreteren van correlatiecoëfficiënten
A is een oorzaak van B
B is een oorzaak van A
Beide worden beïnvloed door een derde variabele die nog niet bekend is
Experimenteel onderzoek: hierbij grijpen onderzoekers actief in, zij manipuleren 1 of meerdere variabelen
en kijken of dit een effect heeft op een andere variabele
Causale relaties: Er is dus een oorzaak-gevolgrelatie tussen variabelen. De twee variabelen zijn
gecorreleerd én er is sprake van een causale relatie.
Onafhankelijke variabele: de variabele die de onderzoeker tijdens het experiment manipuleert om het
effect op het gedrag ervan te achterhalen
Afhankelijke variabele: de variabele die gemeten wordt als deel van het experiment. Dit is afhankelijk van
de onafhankelijke variabele
Controlevariabele: de aspecten van een experiment die de onderzoeker constant wil houden
Bv. verpakking van de spruitjes of random toewijzen van participanten
Operationaliseren: de onderzoeker die de afhankelijke en de onafhankelijke variabelen moet omzetten in
concrete en meetbare handelingen. Dit kan de conclusies mee bepalen.
Bv. schaal, aantal spruiten eten, …
Interne validiteit
- Vertekeningen en sociale wenselijkheid
- Waren er echt geen verschillen in de controlevariabelen?
- Is de causale relatie tussen de OV en de AV terecht?
Externe validiteit: veralgemeenbaarheid van de onderzoeksresultaten buiten de onderzoek setting
Kernbegrippen psychologie
1-6
PSYCHOLOGIE UGENT
MAËL DE DEURWAERDER
, Kernbegrippen Les1:
Behaviorisme: Gedrag – omgeving
= het zoeken naar wetmatigheden tussen elementen in de omgeving en gedragsveranderingen -
> pragmatisch/ human engineering ~ nudging
Verklaren het gedrag
Cognitieve psychologie: focus op interne processen
“Hoe komt het dat die verandering in de omgeving leidt tot die gedragsverandering? WAAROM?
Interne processen kunnen heuristische en predictieve waarde hebben
Ze kunnen helpen om gedrag te begrijpen, voorspellen en beïnvloeden
Verklaren relatie tussen omgeving en gedrag via interne processen
Gesofisticeerd behaviorisme: sommige gedragsveranderingen zijn observeerbaar voor derden, terwijl andere
enkel observeerbaar zijn voor het subject zelf (privaat)
Literatuurstudie: bestudeert de literatuur die er al is (samenvatten, problemen aanstippen, algemene
conclusies trekken)
Heuristische waarde: helpen formuleren van nieuwe vragen en om theorie te formuleren
Naturalistische observatie = beschrijvend onderzoek: systematische observatie van ‘natuurlijk gedrag’ in
een ‘natuurlijke context’
Antropologie= mensleer
Ethologie= dierenleer (in het wild)
GEEN random toewijzing en GEEN interventies
Probleem: reactieve gedragingen
Sociale wenselijkheid: hoe ze willen dat de anderen hun zien
Reactieve gedragingen: neiging om zich anders te gedragen tijdens observatie
Vragenlijst: bevraging van betrokkenen
Opgelet: vertekening en sociale wenselijkheid
Opiniepeiling & het probleem van de representatieve steekproef: inventaris van opinies
Bv. lezers van bepaalde kranten stemmen anders
Gestructureerd interview: vragen liggen op voorhand vast
Meer controle
Ongestructureerd interview: vragen liggen niet op voorhand vast, er wordt ingegaan op de antwoorden
van de ondervraagde, doorvragen
Mogelijks rode draad kwijtraken
Gestandaardiseerde tests: geijkte meetprocedures van een vaardigheid of eigenschap. Beschikbaarheid
van “normscores”
Vragenlijsten/taken
Bv. IQ-test
, Gevalstudie: intensief, gedetailleerd onderzoek over 1 persoon. Zeldzaam fenomeen onderzoeken om dat
te veralgemenen.
Correlaties: verbanden tussen (afhankelijke) variabelen (geen oorzaken)
Samenhang zoeken
Variabele: gemeten kenmerk dat kan variëren
Correlatiecoëfficiënt: een getal tussen -1,00 en +1,00 dat de mate en de richting van het verband uitdrukt
Positieve correlatie: beide variabelen variëren in dezelfde richting (toenemen + toenemen of afnemen +
afnemen)
Correlatiecoëfficiënt: +0,01 - +1,00
Negatieve correlatie: wanneer de ene variabele toeneemt en de andere afneemt en omgekeerd
Correlatiecoëfficiënt: -0,01 - -1,00
Nulcorrelatie: er is geen verband tussen de 2 variabelen. Correlatiecoëfficiënt: dicht bij 0,00
Interpreteren van correlatiecoëfficiënten
A is een oorzaak van B
B is een oorzaak van A
Beide worden beïnvloed door een derde variabele die nog niet bekend is
Experimenteel onderzoek: hierbij grijpen onderzoekers actief in, zij manipuleren 1 of meerdere variabelen
en kijken of dit een effect heeft op een andere variabele
Causale relaties: Er is dus een oorzaak-gevolgrelatie tussen variabelen. De twee variabelen zijn
gecorreleerd én er is sprake van een causale relatie.
Onafhankelijke variabele: de variabele die de onderzoeker tijdens het experiment manipuleert om het
effect op het gedrag ervan te achterhalen
Afhankelijke variabele: de variabele die gemeten wordt als deel van het experiment. Dit is afhankelijk van
de onafhankelijke variabele
Controlevariabele: de aspecten van een experiment die de onderzoeker constant wil houden
Bv. verpakking van de spruitjes of random toewijzen van participanten
Operationaliseren: de onderzoeker die de afhankelijke en de onafhankelijke variabelen moet omzetten in
concrete en meetbare handelingen. Dit kan de conclusies mee bepalen.
Bv. schaal, aantal spruiten eten, …
Interne validiteit
- Vertekeningen en sociale wenselijkheid
- Waren er echt geen verschillen in de controlevariabelen?
- Is de causale relatie tussen de OV en de AV terecht?
Externe validiteit: veralgemeenbaarheid van de onderzoeksresultaten buiten de onderzoek setting