Samenvatting WERO 1-1 Basiskennis
PLANTEN
• INDELING SPORENPLANTEN (p.233-241 in dikke boek)
MOSSEN
Onderstaande figuur stelt de levenscyclus voor van een bladmos.
1. spore
2. voorkiem
3. uitgegroeide mosplant
4. vrouwelijke en mannelijke mosplant
5. geslachtelijke voortplanting
6. vrouwelijke mosplant met
sporenkapsel
ECHTE VARENPLANTEN
A. volwassen varenplant
B. sporendoosje
C. sporendoosje springt open
D. sporen
E. spore kiemt
F. voorkiem
G. mannelijke voortplantingsorgaan
H. zaadcel
J. eicel
K. nieuwe varenplant
pag. 1
,VOORTPLANTING:
pag. 2
,INOEFENING SPORENPLANTEN
Duid alle sporenplanten aan. (bij de afbeeldingen waar een vinkje bij staan zijn sporenplanten)
• Examentip
Op het examen kan het zijn dat je andere foto’s krijgt. Belangrijk is dus dat je herkent
waarom een plant al dan niet een sporenplant is.
• INDELING ZAADPLANTEN (p.242-245 in dikke boek)
Vul de ontbrekende woorden in
Naaktzadigen vormen een groep binnen de zaadplanten met een belangrijke eigenschap: de
zaden zijn niet ingesloten in een vrucht. Daarnaast vormen ze ook geen bloemen. De groep
van de coniferen of kegeldragers is de bekendste groep binnen de naaktzadigen met als
gekende voorbeelden: de spar, den, cypres, …
Naast de naaktzadigen behoren ook de bloemplanten/bedektzadigen tot de zaadplanten.
De bloemplanten vormen een groep van planten waarbij uit de bloemen na bevruchting
vruchten ontstaan. Deze groep bestaat op zijn buurt nog eens uit 2 groepen met elk zijn
specifieke eigenschappen:
• Éénzaadlobbigen
• Tweezaadlobbigen
Een embryonaal plantje bestaat uit een minuscule wortel, een stengel en 1 of 2 zaadlobben
of kiembladen, die meestal een kleine voorraad reservevoedsel bevatten. Dit reservevoedsel
heeft het plantje nodig om te groeien, direct na de ontkieming.
pag. 3
, DE TWEEZAADLOBBIGE PLANTEN (waar een vinkje bij staat)
• Examentip
De oefening waarbij je de tweezaadlobbige planten moet aanduiden, kan je op het
examen krijgen met andere foto’s.
• HOOFDORGAAN: STENGEL (p. 246-267 in het dikke boek)
FUNCTIE VAN DE STENGEL:
• Drager van de bladeren en voortplantingsorganen
• Transport van water, voedingsstoffen en andere stoffen doorheen de plant
• Opslag van reservevoedsel of/en water
• Aanmaak voedsel door fotosynthese
• Examentip
Op het examen moet je zelf de functies kunnen geven.
pag. 4
PLANTEN
• INDELING SPORENPLANTEN (p.233-241 in dikke boek)
MOSSEN
Onderstaande figuur stelt de levenscyclus voor van een bladmos.
1. spore
2. voorkiem
3. uitgegroeide mosplant
4. vrouwelijke en mannelijke mosplant
5. geslachtelijke voortplanting
6. vrouwelijke mosplant met
sporenkapsel
ECHTE VARENPLANTEN
A. volwassen varenplant
B. sporendoosje
C. sporendoosje springt open
D. sporen
E. spore kiemt
F. voorkiem
G. mannelijke voortplantingsorgaan
H. zaadcel
J. eicel
K. nieuwe varenplant
pag. 1
,VOORTPLANTING:
pag. 2
,INOEFENING SPORENPLANTEN
Duid alle sporenplanten aan. (bij de afbeeldingen waar een vinkje bij staan zijn sporenplanten)
• Examentip
Op het examen kan het zijn dat je andere foto’s krijgt. Belangrijk is dus dat je herkent
waarom een plant al dan niet een sporenplant is.
• INDELING ZAADPLANTEN (p.242-245 in dikke boek)
Vul de ontbrekende woorden in
Naaktzadigen vormen een groep binnen de zaadplanten met een belangrijke eigenschap: de
zaden zijn niet ingesloten in een vrucht. Daarnaast vormen ze ook geen bloemen. De groep
van de coniferen of kegeldragers is de bekendste groep binnen de naaktzadigen met als
gekende voorbeelden: de spar, den, cypres, …
Naast de naaktzadigen behoren ook de bloemplanten/bedektzadigen tot de zaadplanten.
De bloemplanten vormen een groep van planten waarbij uit de bloemen na bevruchting
vruchten ontstaan. Deze groep bestaat op zijn buurt nog eens uit 2 groepen met elk zijn
specifieke eigenschappen:
• Éénzaadlobbigen
• Tweezaadlobbigen
Een embryonaal plantje bestaat uit een minuscule wortel, een stengel en 1 of 2 zaadlobben
of kiembladen, die meestal een kleine voorraad reservevoedsel bevatten. Dit reservevoedsel
heeft het plantje nodig om te groeien, direct na de ontkieming.
pag. 3
, DE TWEEZAADLOBBIGE PLANTEN (waar een vinkje bij staat)
• Examentip
De oefening waarbij je de tweezaadlobbige planten moet aanduiden, kan je op het
examen krijgen met andere foto’s.
• HOOFDORGAAN: STENGEL (p. 246-267 in het dikke boek)
FUNCTIE VAN DE STENGEL:
• Drager van de bladeren en voortplantingsorganen
• Transport van water, voedingsstoffen en andere stoffen doorheen de plant
• Opslag van reservevoedsel of/en water
• Aanmaak voedsel door fotosynthese
• Examentip
Op het examen moet je zelf de functies kunnen geven.
pag. 4