H4: oplossingen, oplosbaarheid en concentratie
Oplosproces
Attractiekrachten tussen moleculen van de opgeloste stof moeten onderling vergelijkbaar zijn
omdat ze verbroken moeten worden om te kunnen oplossen
o Apolaire stoffen lossen op in apolaire stoffen en dus niet in water
o Polaire stoffen lossen op in polaire stoffen en dus in water
o Ionaire bestandsdelen lossen goed op in polaire oplosmiddelen en dus in water
o Organische bestanddelen lossen meestal niet goed op in water door de hydrofobe
bestanddelen
o Organische bestanddelen die over voldoende aminogroepen bezitten zijn wel goed oplosbaar
in water door de vorming van H-bruggen
o Organische bestanddelen die beschikken over een hydrofiele kop en een hydrofobe staart
zullen in water micellen vormen
o Netwerkkristallen zoals diamant zijn onoplosbaar in alle oplosmiddelen
Lichaamsvocht
Water + electrolyten
ICF = intra cellular fluids
ECF = extra cellular fluids
Oplosbaarheid
A2B (v) 2A+(aq) +B2-(aq)
Ks = het oplosbaarheidsproduct
o Ks = ¿ ¿
S = de oplosbaarheid
o S = ¿¿ = ¿¿
Oplosbaarheid kunnen berekenen uit oplosbaarheidsproduct en omgekeerd
Oplosbaarheidsproduct en neerslagvorming
o Q = Ks oplossing is verzadigd
o Q < Ks oplossing is onverzadigd
o Q > Ks oplossing is onverzadigd en er zal neerslagvorming ontstaan tot Q = K s
Factoren die de oplosbaarheid beïnvloeden, kwalitatieve benadering
Invloed van de druk en temperatuur op de oplosbaarheid
o Endotherm: S als T
o Exotherm: S als T
Invloed van het zouteffect op de oplosbaarheid
o De aanwezigheid van zouten zorgt voor een S
Invloed van hydrolyse en zuurtegraad van de oplossing
o Door hydrolyse van anionen zal S
Gemeenschappelijkioneffect
o Toevoegen van een electrolyt met een gemeenschappelijk ion zal S
Invloed van complexvormers
Oplosproces
Attractiekrachten tussen moleculen van de opgeloste stof moeten onderling vergelijkbaar zijn
omdat ze verbroken moeten worden om te kunnen oplossen
o Apolaire stoffen lossen op in apolaire stoffen en dus niet in water
o Polaire stoffen lossen op in polaire stoffen en dus in water
o Ionaire bestandsdelen lossen goed op in polaire oplosmiddelen en dus in water
o Organische bestanddelen lossen meestal niet goed op in water door de hydrofobe
bestanddelen
o Organische bestanddelen die over voldoende aminogroepen bezitten zijn wel goed oplosbaar
in water door de vorming van H-bruggen
o Organische bestanddelen die beschikken over een hydrofiele kop en een hydrofobe staart
zullen in water micellen vormen
o Netwerkkristallen zoals diamant zijn onoplosbaar in alle oplosmiddelen
Lichaamsvocht
Water + electrolyten
ICF = intra cellular fluids
ECF = extra cellular fluids
Oplosbaarheid
A2B (v) 2A+(aq) +B2-(aq)
Ks = het oplosbaarheidsproduct
o Ks = ¿ ¿
S = de oplosbaarheid
o S = ¿¿ = ¿¿
Oplosbaarheid kunnen berekenen uit oplosbaarheidsproduct en omgekeerd
Oplosbaarheidsproduct en neerslagvorming
o Q = Ks oplossing is verzadigd
o Q < Ks oplossing is onverzadigd
o Q > Ks oplossing is onverzadigd en er zal neerslagvorming ontstaan tot Q = K s
Factoren die de oplosbaarheid beïnvloeden, kwalitatieve benadering
Invloed van de druk en temperatuur op de oplosbaarheid
o Endotherm: S als T
o Exotherm: S als T
Invloed van het zouteffect op de oplosbaarheid
o De aanwezigheid van zouten zorgt voor een S
Invloed van hydrolyse en zuurtegraad van de oplossing
o Door hydrolyse van anionen zal S
Gemeenschappelijkioneffect
o Toevoegen van een electrolyt met een gemeenschappelijk ion zal S
Invloed van complexvormers