Genexpressie
1. leven van een cel
- groei = proces dat zich afspeelt op niveau vd cel
⇒ vermeerdering cellen nodig voor groei ve organisme
- celcyclus = celgroei gevolgd door celdeling
⇒ groeifase = interfase + fase van celdeling
⇒ in beide fasen veel metabolische activiteit id cel
⇒ interfase: intense proteïnesynthese voor toename cytoplasma bij celgroei
+ DNA gekopieerd als voorbereiding op celdeling
⇒ celdelingfase: drastische wijziging uitzicht chromatine (DNA + histonen)
2. chromatine tijdens de interfase
chemische samenstelling DNA
⇒ grootste deel kerninhoud: chromatine (korrelige, diffuse massa)
⇒ warrig netwerk chromatinevezels = DNA + histonen (proteïnen)
⇒ DNA is het genetisch materiaal dat de info bevat om in cellen proteïnen aan te maken
⇒ DNA behoort tot nucleïnezuren (macromoleculen opgebouwd uit groot # nucleotiden)
⇒ DNA = polynucleotide
⇒ nucleotide vh DNA:
1. desoxyribose: suikermolecule → monosacharide met 5 C-atomen
2. fosfaatgroep
3. 4 stikstofhoudende basen:
I. adenine (A)
II. cytosine (C)
III. guanine (G)
IV. thymine (T)
⇒ base gebonden aan C-atoom 1’
⇒ fosfaatgroep aan 5’
⇒ hydroxylgroep OH aan 3’
⇒ DNA: 5’ → 3’
,Polynucleotide
, ruimtelijke structuur DNA
⇒ 1953: James Watson + Francis Crick
● DNA = dubbele helix
⇒ opgebouwd uit 2 strengen nucleotiden
⇒ vormen 2 suiker-fosfaatruggengraten verbonden door basenparen
⇒ 2 strengen schroefvormig gedraaid
● complementaire structuur
⇒ A - T (2 H-bruggen)
⇒ G - C (3 H-bruggen)
● antiparallelle structuur
⇒ 2 ketens antiparallel: 5’ → 3’ ⇔ 3’ → 5’
FUNCTIES die moleculen moeten vervullen:
1. basensequentie (basenvolgorde) vertegenwoordigt info
⇒ informatiecapaciteit DNA zeer groot door groot # nucleotiden per DNA-mol.
2. complementariteit vd basen: basenvolgorde ene streng gelinkt aan basenvolgorde
andere streng
⇒ eigenschap vormt basis voor exacte replicatie DNA
verband tsn DNA en gen
⇒ basensequentie soort van code
⇒ gen = DNA-fragment dat de code bevat voor de aanmaak ve polypeptide
⇒ polypeptide = lange keten aaneengeschakelde aminozuren
⇒ tsn aminozuren interacties zodat keten zich opvouwt tot een proteïne
⇒ proteïnen bepalen structuur en werking vd cel + realiseren erfelijke eigenschappen
Histonen
= groep verwante proteïnen → versch klassen
⇒ vormen proteïnecomponent vd chromatine
⇒ 2 functies:
1. fungeren als spoel/klos: verpakken DNA (2m DNA in lichaamscel in kleine celkern
wikkelen)
2. regulerende rol
1. leven van een cel
- groei = proces dat zich afspeelt op niveau vd cel
⇒ vermeerdering cellen nodig voor groei ve organisme
- celcyclus = celgroei gevolgd door celdeling
⇒ groeifase = interfase + fase van celdeling
⇒ in beide fasen veel metabolische activiteit id cel
⇒ interfase: intense proteïnesynthese voor toename cytoplasma bij celgroei
+ DNA gekopieerd als voorbereiding op celdeling
⇒ celdelingfase: drastische wijziging uitzicht chromatine (DNA + histonen)
2. chromatine tijdens de interfase
chemische samenstelling DNA
⇒ grootste deel kerninhoud: chromatine (korrelige, diffuse massa)
⇒ warrig netwerk chromatinevezels = DNA + histonen (proteïnen)
⇒ DNA is het genetisch materiaal dat de info bevat om in cellen proteïnen aan te maken
⇒ DNA behoort tot nucleïnezuren (macromoleculen opgebouwd uit groot # nucleotiden)
⇒ DNA = polynucleotide
⇒ nucleotide vh DNA:
1. desoxyribose: suikermolecule → monosacharide met 5 C-atomen
2. fosfaatgroep
3. 4 stikstofhoudende basen:
I. adenine (A)
II. cytosine (C)
III. guanine (G)
IV. thymine (T)
⇒ base gebonden aan C-atoom 1’
⇒ fosfaatgroep aan 5’
⇒ hydroxylgroep OH aan 3’
⇒ DNA: 5’ → 3’
,Polynucleotide
, ruimtelijke structuur DNA
⇒ 1953: James Watson + Francis Crick
● DNA = dubbele helix
⇒ opgebouwd uit 2 strengen nucleotiden
⇒ vormen 2 suiker-fosfaatruggengraten verbonden door basenparen
⇒ 2 strengen schroefvormig gedraaid
● complementaire structuur
⇒ A - T (2 H-bruggen)
⇒ G - C (3 H-bruggen)
● antiparallelle structuur
⇒ 2 ketens antiparallel: 5’ → 3’ ⇔ 3’ → 5’
FUNCTIES die moleculen moeten vervullen:
1. basensequentie (basenvolgorde) vertegenwoordigt info
⇒ informatiecapaciteit DNA zeer groot door groot # nucleotiden per DNA-mol.
2. complementariteit vd basen: basenvolgorde ene streng gelinkt aan basenvolgorde
andere streng
⇒ eigenschap vormt basis voor exacte replicatie DNA
verband tsn DNA en gen
⇒ basensequentie soort van code
⇒ gen = DNA-fragment dat de code bevat voor de aanmaak ve polypeptide
⇒ polypeptide = lange keten aaneengeschakelde aminozuren
⇒ tsn aminozuren interacties zodat keten zich opvouwt tot een proteïne
⇒ proteïnen bepalen structuur en werking vd cel + realiseren erfelijke eigenschappen
Histonen
= groep verwante proteïnen → versch klassen
⇒ vormen proteïnecomponent vd chromatine
⇒ 2 functies:
1. fungeren als spoel/klos: verpakken DNA (2m DNA in lichaamscel in kleine celkern
wikkelen)
2. regulerende rol