1
, lOMoARcPSD|487248
Management en Organisatie
Deel 1: organisaties, managers en management
1. Organisaties
a. Wat zijn organisaties? Wat zijn de basiskenmerken of bestanddelen van
de organisatie?
Organisatie bestuderen = menselijk gedrag bestuderen -> Vakgebied OB:
Organizational Behaviour: bundelt inzichten verworven v verschillende
vakgebieden die elk 1 bepaald aspect v menselijk gedrag bestuderen
b. Een heterogene groep van mensen (= verschillende mensen)
i. Indeling groep op basis van
1. Functie/rol
a. Eigenaar
b. Manager
c. Arbeiders en bedienden (vb verkoper)
2. Hiërarchische verantwoordelijkheden en bevoegdheden
a. Leidinggevenden
b. Niet-leidinggevenden
3. Vakkennis of expertise (vb arts en verpleegster)
a. Designers
b. Technische specialisten
c. Verkopers
d. Juridische specialisten…
4. Productbetrokkenheid
a. Betrokken bij product X (vb belastingsadvies)
b. Betrokken bij product Y (vb milieuadvies)
5. Regiobetrokkenheid
a. Regio Zweden
b. Regio Afrika..
6. Sociodemografische kenmerken
a. Man vs vrouw
b. Boven en beneden 40 jaar
Bij klassiek mgt: iedereen zelfde norm: winstmaximalisatie
Bij stakeholders en gedragsmatig: sterk, conflicterend normenkader
Gevolgen heterogeniteit algehele structuur + identificatie gem. doel:
Verschillende kijk waarden en normen
Identificatie met gem. doel is geen evidentie
Niet evident verschillende groepen in 1 samenhangend geheel
2
, lOMoARcPSD|487248
ii. Organisatiecultuur = geheel aan gemeen. waarden en normen die
alle organisatieleden delen
1. Praktijken: werkvoorschrift, routine, afspraak.
a. Dagelijks en frequent
b. Wat-vraagstuk
Vb: wekelijks vergaderen
2. Symbolen: kleding, architectuur, logo’s
3. Mythes of heldenverhalen: uit het verleden, toonaangevend verhaal
4. Rituelen: de manier van omgang (ongeschreven)
a. Niet frequent of voor de hand liggend
b. Hoe-vraagstuk (manier)
c. Vb: wijze waarop wekelijkse vergadering verloopt
5. Normatieve waardeoordelen: gedrag: wat is goed, wat mag..
iii. Uimodel Hofstede: hiërarchische indeling
1. Meer fundamentele cultuuruitingen zitten dicht tegen de kern (de
waarden), de minder fundamentele uitingsvormen bevinden zich in de
buitenste schillen van de ui (helden en symbolen)
C. Een gemeenschappelijk doel/missie: richtinggevend, motiverend,
legitimerend. Doelen op basis van:
i. Voorwerp
1. Aankoop van grondstoffen
2. Werving medewerkers
3. Omvang productie
ii. Organisatieniveau
1. Doelen mbt tot totale organisatie
2. Een bepaalde afdeling
3. Een bepaalde groep van organisatieleden
iii. Tijdhorizon
1. Langetermijn (10j)
2. Middellang
3. Korte termijn
iv. Vormelijk karakter
1. Informele doelen (niet formeel neergeschreven/ niet raadpleegbaar)
2. Formele doelen
Niet evident dat alle doelen door alle organisatieleden zijn gekend.
Nood aan communicatie + informatiestrekking.
Doelencascade of doelenhiërarchie: sommige doelen zijn onderling met elkaar verbonden en ondersteunen
elkaar.
3
, lOMoARcPSD|487248
d. Een bewuste structuur of sturing: wie doet wat, wanneer en hoe?
Organisatiestructuur: afspraken over verdeling en onderlinge afstemming van taken (wie
wat waar wanneer hoe)
v. Formele organisatie
1. Taak centraal
2. Onafhankelijk van de mensen
3. Expliciete officiële afspraken (neergeschreven)
4. Vaste stabiele afspraken
vi. Informele organisatie
1. Mens centraal
2. Bestaan ifv organisatieleden
3. Afspraken impliciet opgeslagen in de hoofden vd mensen
4. Makkelijk veranderbaar
Informele en formele organisatie kunnen elkaar aanvullen/ondergraven
(informele afspraken staan haaks op formele)
e. Externe invloeden of de omgeving: wat beïnvloedt de organisatie?
1. Interne vs externe invloeden
2. Identificatie van grenzen (niet altijd absoluut en eenduidig)
a. Netwerken (samenwerkingsverbanden): activiteiten versmelten tot 1
organisatie, juridische grenzen bestaan nog
b. Enkel bestaand in digitale ruimte (.com)
c. Virtuele organisatie: netwerk van onafh organisaties die
elk een taak op zich nemen van de organisatie
d. Een externe actor bepaalt het interne
beleid
4