LD-50 = De hoeveelheid die bij inname 50% van de proefdieren doodt.
ADI-waarden = Aanvaardbare dagelijkse inname
TGG/Grenswaarde = Het aantal mg stof dat je per m3 lucht maximaal tijdens je werkdag binnen mag
krijgen.
PPM = Parts per million (106)
PPB = Parts per billion (109)
PPM = deel : geheel × 106
PPB = deel : geheel × 109
Gevaarsymbolen worden gebruikt volgens het GHS-systeem.
GHS = Globally Harmonised System.
H- en P-zinnen staan op de verpakking,
H-zinnen geven het soort gevaar aan.
P-zinnen geven de voorzorgsmaatregelen aan.
Bij een kwalitatief onderzoek bepaal je welke stoffen in een product aanwezig zijn.
Reagens = Hiermee kan je een bepaalde stof aantonen.
Een reagens is selectief en reageert met maar 1 bepaalde stof.
Zouten kun je aantonen door een slecht oplosbaar mengsel te creëren.
Chromatografie berust op het verschil in oplosbaarheid in de loopvloeistof, de mobiele fase en het
verschil in adsorptie aan het papier/de stationaire fase.
Met chromatografie kun je aantonen of een bepaalde stof in een mengsel aanwezig is.
Je brengt een druppel van de zuivere stof op de startlijn → Referentie
Naast de druppel plaats je een druppel van het mengsel. Als de druppels na afloop op dezelfde
hoogte zitten heb je aangetoond dat deze stof in het mengsel zit.
Als je de afstand vergelijkt met de afstand die de vloeistoffront heeft afgelegd vind je steeds dezelfde
verhouding. → RF-waarde.
Rf= afgelegde afstand kleurstof : afgelegde afstand vloeistoffront.
Bij colorimetrie bepaal je met licht de concentratie van
een gekleurde oplossing.
IJkreeks = Een serie oplossingen.
Met de gegevens van de oplossingen maak je een
grafiek. Hieruit krijg je ook wel een ijklijn.
Dunnelaagchromatografie = Geen papier, maar dunne laag poeder op glas of kunststof.
Kwantitatief onderzoek = Hoeveelheid van iets
* Titratie = Kwantitatief onderzoek.