Hfstk 2: fysiologie van de zoogdieren
Fysiologie
Het ademhaling stelsel
1) Kunnen situeren hoe een lichaam wil overleven en voortplanten. Weten wat
cellen hiervoor doen en hoe een lichaam hieromtrent reageert.
Het lichaam wil overleven en voortplanten:
Wat is hiervoor nodig?
- Cellen willen voeding spijsverteringsstelsel + circulatorisch stelsel
- Cellen willen zuurstof ademhalingsstelsel + circulatorisch stelsel
- Cellen willen afvalstoffen weg circulatorisch stelsel + ademhalingsstelsel + uitscheidingsstelsel
- (+ spijsverteringsstelsel)
- Correct reageren op omgeving: waarnemen en reageren
› Zintuigen + ZS + hormonaal stelsel
› ZS + hormonaal stelsel + bewegingsstelsel
- Boeltje verdedigen tegen aanvallen vanuit omgeving:
› Huid + immuunsysteem (Darmflora + WBC in circulatorisch systeem en in lymfesysteem)
2) Weten hoe de longen opgebouwd zijn en weten waarom de linkerlong kleiner is
dan de rechterlong.
- Linkerlong < rechterlong door de ligging van het hart
- Longen zijn omgeven door een dun vliesje = longvlies
- Longen zijn opgebouwd uit longlobben:
› Rechterlong: 3
› Linkerlong: 2
›
Afbeeldingen omtrent de opbouw van het ademhalingsstelsel kunnen benoemen.
› Neusholte
› Keelholte = farynx
› Strottenhoofd (= larynx)
› Luchtpijp (= trachea)
› 2 luchtpijptakken = hoofdbronchus
› 2 longen – L & R
› Longtakken – secundaire & tertiare bronchi
› Longtakjes (= bronchioli)
› Longblaasje (= alveoli) zitten in longzakje
› Bloedcapillairen
3) De werking van het middenrif kennen.
- Middenrif ondersteunt ademhaling
- Restlucht voorkomt klaplong
1
, 4) Kunnen aantonen dat de gasuitwisseling ter hoogte van de longen op een zeer
efficiënte manier gebeurt.
Efficiënte gasuitwisseling door:
- Groot uitwisselingsoppervlak, 100m2 per long
- Zeer dunne wand tussen longblaasje en longhaarvaten
- Caplilairen = haarvaatje ter hoogte van longblaasjes
- Vele witte bloedcellen in de longblaasjes (vernieti gen giftige stoffen)
Afbeelding omtrent gasuitwisseling kunnen benoemen.
5) De
functie van de neusholte, mondholte,
keelholte en de luchtpijp binnen het
ademhalingsstelsel kunnen weergeven.
Neusholte:
- Haren stofdeeltjes tegenhouden
- Slijmvlies inkomende lucht bevochtigen
- Bloedvaten verwarmen van inkomende lucht
- Reukcellen verwittigen voor gevaarlijke gassen.
Mondholte:
- Slijmvlies inkomende lucht bevochtigen.
Keelholte:
- Huig sluit neusholte af bij slikken
- Strotklep sluit luchtpijp af bij slikken.
Luchtpijp en vertakkingen:
- Slijmlaag + trilharen tegenhouden van stofdeeltjes
- Kraakbeenringen openhouden vertakkingen.
6) De betekenis van enkele belangrijke slagaders, zijnde de aorta, de
kransslagader en de longslagader kunnen beschrijven.
Algemeen: slagaders/arteriën voeren bloed naar de organen, zuurstofrijk, uitgezonderd: longslagader (zuurstofarm) +
aders/venten (holle aders) voeren bloed naar het hart, van de organen weg, zuurstofarm, uitgezonderd: longader
(zuurstofrijk)
Aorta
grote slagader die uit de linkerkamer van het hart komt (zeer elastisch om druk van hartslag op te vangen voor
de slagaders die daarop volgen en steeds kleinere dm hebben naargelang men dichter bij de te doorbloeden
organen komt)
2
Fysiologie
Het ademhaling stelsel
1) Kunnen situeren hoe een lichaam wil overleven en voortplanten. Weten wat
cellen hiervoor doen en hoe een lichaam hieromtrent reageert.
Het lichaam wil overleven en voortplanten:
Wat is hiervoor nodig?
- Cellen willen voeding spijsverteringsstelsel + circulatorisch stelsel
- Cellen willen zuurstof ademhalingsstelsel + circulatorisch stelsel
- Cellen willen afvalstoffen weg circulatorisch stelsel + ademhalingsstelsel + uitscheidingsstelsel
- (+ spijsverteringsstelsel)
- Correct reageren op omgeving: waarnemen en reageren
› Zintuigen + ZS + hormonaal stelsel
› ZS + hormonaal stelsel + bewegingsstelsel
- Boeltje verdedigen tegen aanvallen vanuit omgeving:
› Huid + immuunsysteem (Darmflora + WBC in circulatorisch systeem en in lymfesysteem)
2) Weten hoe de longen opgebouwd zijn en weten waarom de linkerlong kleiner is
dan de rechterlong.
- Linkerlong < rechterlong door de ligging van het hart
- Longen zijn omgeven door een dun vliesje = longvlies
- Longen zijn opgebouwd uit longlobben:
› Rechterlong: 3
› Linkerlong: 2
›
Afbeeldingen omtrent de opbouw van het ademhalingsstelsel kunnen benoemen.
› Neusholte
› Keelholte = farynx
› Strottenhoofd (= larynx)
› Luchtpijp (= trachea)
› 2 luchtpijptakken = hoofdbronchus
› 2 longen – L & R
› Longtakken – secundaire & tertiare bronchi
› Longtakjes (= bronchioli)
› Longblaasje (= alveoli) zitten in longzakje
› Bloedcapillairen
3) De werking van het middenrif kennen.
- Middenrif ondersteunt ademhaling
- Restlucht voorkomt klaplong
1
, 4) Kunnen aantonen dat de gasuitwisseling ter hoogte van de longen op een zeer
efficiënte manier gebeurt.
Efficiënte gasuitwisseling door:
- Groot uitwisselingsoppervlak, 100m2 per long
- Zeer dunne wand tussen longblaasje en longhaarvaten
- Caplilairen = haarvaatje ter hoogte van longblaasjes
- Vele witte bloedcellen in de longblaasjes (vernieti gen giftige stoffen)
Afbeelding omtrent gasuitwisseling kunnen benoemen.
5) De
functie van de neusholte, mondholte,
keelholte en de luchtpijp binnen het
ademhalingsstelsel kunnen weergeven.
Neusholte:
- Haren stofdeeltjes tegenhouden
- Slijmvlies inkomende lucht bevochtigen
- Bloedvaten verwarmen van inkomende lucht
- Reukcellen verwittigen voor gevaarlijke gassen.
Mondholte:
- Slijmvlies inkomende lucht bevochtigen.
Keelholte:
- Huig sluit neusholte af bij slikken
- Strotklep sluit luchtpijp af bij slikken.
Luchtpijp en vertakkingen:
- Slijmlaag + trilharen tegenhouden van stofdeeltjes
- Kraakbeenringen openhouden vertakkingen.
6) De betekenis van enkele belangrijke slagaders, zijnde de aorta, de
kransslagader en de longslagader kunnen beschrijven.
Algemeen: slagaders/arteriën voeren bloed naar de organen, zuurstofrijk, uitgezonderd: longslagader (zuurstofarm) +
aders/venten (holle aders) voeren bloed naar het hart, van de organen weg, zuurstofarm, uitgezonderd: longader
(zuurstofrijk)
Aorta
grote slagader die uit de linkerkamer van het hart komt (zeer elastisch om druk van hartslag op te vangen voor
de slagaders die daarop volgen en steeds kleinere dm hebben naargelang men dichter bij de te doorbloeden
organen komt)
2