Phylum Arthropoda (Geleedpotigen)
1. De adaptaties die zich voorgedaan hebben om te evolueren van een ringworm
naar een geleedpotige kunnen weergeven.
- Uitwendige segmentatie
Kop = cephalon
Borststuk = thorax
Achterlijf = abdomen
- Gelede aanhangsels
- (exo)skelet en spieren zorgen samen voor voortbeweging.
2. De verschillende vormen van segmentatie kennen.
Inwendige en uitwendige segmentatie
ringwormen bv. regenworm
Alleen uitwendige segmentatie
geleedpotigen
- Gelede aanhangels aan Kop = cephalon
voedselopname en zintuiglijke waarneming
- Gelede aanhangels aan Borststuk = thorax
voortbeweging
- Gelede aanhangels aan Achterlijf = abdomen
voortbeweging (zwempoten) of voortplanting
Inwendige segmentatie
chordadieren wervelkolom
3. Weten waarom Arthropoda vervellen.
Skelet omgeeft lichaam groeit niet mee vervangen een nieuw, groter skelet
Extra info exokelet: stevigheid en bescherming, afgescheiden door huidcellen en opgebouwd uit chitine,
ondoorlatend voor water dus gaat waterverlies tegen, landleven wordt mogelijk, voortbeweging (= samenwerking
skelet en spieren)
4. De verschillen tussen duizendpoten en miljoenpoten
kennen.
Klasse Myriapoda
- Kleine kop met gesegmenteerd achterlijf
- 1 paar antennes
Duizendpoten = Chilopoda
1 paar poten/segment 21 paar poten
geen ogen + leeft vooral onder boomschors en onder stenen.
1
, Miljoenpoten = Diplopoda
2 paar poten/segment M: max 562 poten, VR: 750 poten
doorzichtige lichaamsomhulsel + grote antennes
5. Het phylum der Arthropoda verder kunnen indelen in subphyla en klassen
zoals in de cursus.
Subphylum: Crustacea (schaaldieren of kreeftachtigen)
Subphylum: Uniramia (Tracheata)
- Klasse Hexapoda (6-potigen)/ Klasse Insecta (insecten)
- Klasse Myriapoda (veelpotigen)
Subphylum: Chelicerata
- Klasse Arachnida (Spinachtigen)
Subphylum: Trilobita (uitgestorven enkel nog fossielen)
Subphylum: Uniramia (Tracheata)
Klasse Hexapoda (6-potigen)
Lichaam = kop + borststuk + achterlijf
De kop draagt één paar antennen + 3 paar kaken, facetogen, ocellen
Kop via dunne hals verbonden met borststuk 3 paar poten & vaak 2 paar vleugels
6. De verschillende soorten van monddelen bij insecten kunnen geven +
diervoorbeelden.
Bijtende of kauwende monddelen Likkende monddelen
Voedsel: vlees, planten, bladeren Voedsel: nectar
sterk ontw kaken
Voorbeeld: bijen
Voorbeeld: sprinkhanen, kevers, libellen,
rupsen van motten en vlinders.
Zuigende monddelen (opgerolde “tong”). Stekende monddelen
Voedsel: nectar Voedsel: plantensappen of dierlijke sappen.
Voorbeeld: adulte motten en vlinders. Voorbeeld: wantsen, muggen.
7. Kort de spijsvertering, de uitscheiding, de ademhaling, het zenuwstelsel en de
voortplanting van insecten kunnen
weergeven.
Spijsvertering
- Degelijk gevormd
- Enzymen
- Spijsverteringskanaal
- Uitwerpselen tamelijk droog door wateronttrekking in einddarm
(aanpassing aan landleven)
Uitscheiding
Nieren = buisjes van Malpighi
2