1. Eigenschappen van cellen
1.1 de celtheorie
1.2 opbouw prokaryote cel
1.2.1 opbouw
1.2.2 karakteristieken
1.3 opbouw van eukaryote cel
1.3.1 De celkern
1.3.2 ribosomen
1.3.3 endomembranair systeem
1.3.3.1 ER
1.3.3.2 Golgi
1.3.3.3 lysosomen
1.3.4 vacuolen
1.3.5 microbodies
1.3.6 mitochondriën
1.3.7 Chloroplasten
1.3.8 cytoskelet
1.3.9 ontstaan van eukaryote cellen: endosymbiose
Celorganel Functie Kenmerk
Celkern Genetisch materiaal Lamina, poriën, nucleoli
Ribosomen Translatie + eiwitsynthese Cytosol of RER
ER
RER Eiwitsynthese
Endomembranair SER Synthese lipiden + detoxificatie
systeem Golgi Inpakken en verwerken Cis – trans
eiwitten en lipiden
Lysosomen Afbraak Primair vs secundair
Vacuolen Opslag – sterkte Planten, vetcellen, protista
Microbodies Afbraak, enzymatische werking Peroxisomen ( waterperoxide)
Mitochondriën Energie (ATP), bevat DNA Opbouw!
1
,Hoofstuk 2: De celdeling
1. Celdeling bij bacteria
1.1 binaire splijting
2. Celdeling bij eukaryote cellen
2.1 opbouw van het genetisch materiaal
2.1.1 chromosomen
2.2 de celcyclus
2.2.1 interfase
2.2.2 regulatie van celcyclus
2.3 mitose
2.3.1 profase
2.3.2 metafase
2.3.3 anafase
2.3.4 telofase
2.3.5 cytokinese
2.4 meiose
2.4.1 eerste meoitische deling
2.4.2 2de meiotische deling
2.5 mitose vs meiose: verschillen en overeenkomsten
2
,Hoofdstuk 3: De levensboom
1. Eigenschappen van leven
• Cellulaire organisatie
• Gevoeligheid voor stimuli
• Groei en metabolisme
• Ontwikkeling
• Voortplanting
• Regulatie: coördinatie interne processen
• Homeostase: relatief cte houden van interne condities
• erfelijkheid
1.1 Oorsprong van het leven
2. Huidige levensboom
2.1 Tabel verschillen tussen Archaea, bacteria en eukaryoten
2.2 De 6 rijken en 3 domeinen – overzicht
Prokaryoten Eukaryoten
2 rijken 4 rijken
3
, Hoofdstuk 4: Virussen
1. Eigenschappen van virussen
• Geen organismen, behoren niet tot één van de rijken
• Obligaat intracellulaire parasieten (=parasieten die levenscyclus niet kunnen
voltooien zonder gastheer)
o Host range = types van geïnfecteerde organismen
o Weefseltropisme = types van geïnfecteerde cellen
• Bestaan uit DNA of RNA
• Het zijn geen cellen, maar virions (= kunnen buiten cel gastheer niks)
• Nucleïnezuurkern omgeven door capsid
• Dierlijke virussen zijn ook vaak omgeven door een enveloppe -> polymorf
• 2 meest voorkomende vormen:
o Helicaal
o Icosahedraal
o ( sommige zijn complex)
2. Het virale genoom + classificatie
2.1 RNA vs DNA virussen
• DNA virus:
o Na binnendringen -> DNA gastheer uitgeschakeld -> transcriptie tot mRNA ->
expressie eiwitten
• RNA virus (70%):
o Geen transcriptie -> expressie van eiwitten met:
▪ Negatieve strand virus (RNA) -> codeert niet voor eiwit, doet zijn RNA
component wel (moet vooraf replicase bevatten) -> RNA streng die nog
omgezet moet worden naar mRNA
▪ Positieve strand virus (mRNA) -> codeert normaal voor eiwit
▪ https://www.youtube.com/watch?v=lQtJdiOUv0I
3. Bacteriofagen
3.1 Opbouw
• Fagen zijn virussen die bacteriën infecteren
4