De bevruchting gebeurt in de eileider vlak bij de eierstok.
1. De enzymen van het acrosoom verteren de
glashuid van de eicel.
2. Het membraan van de zaadcel versmelt met het
membraan van de eicel.
3. De zaadcel werpt zijn staart af. De kern van de
zaadcel zit nu in de eicel.
4. De celkernen gaan met elkaar versmelten.
! vanaf de celkern van de zaadcel versmelt met die van
de eicel, spreek je van bevruchting. Blastomeren
1.1. De eerste klievingsdeling van de zygote
Dertig uur na de bevruchting
De eerste deling gaat van start: de klievingsdeling.
De twee cellen die hieruit ontstaan zijn blastomeren.
! zygote veranderd niet er is
nog geen groei
->de glashuid is nog aanwezig
Dag 4 na de bevruchting
De tweecellige embryo deelt zich verder tot dat het
een bolvormig cellenhoopje wordt, de morula.
Dag 6 na de bevruchting
Er stapelt zich vocht op in de morula, waardoor het
een hol blaasje wordt. Dit stadium wordt de blastula genoemd. De blastulaholte
is omgeven door een voedende cellaag, de trofoblast. In de holte bevindt zich de
kiemknop of embryoblast. Blastulaholte
Trofoblast
! Groei is nu mogelijk
-> de glashuid is nu weg
Kiemknop
1.2. De innesteling
Tijdens de beginfase van de innesteling zullen de trofoblastcellen aan de
zijde van de embryoblast chorionvlokken vormen.
5
4 1. Baarmoederepitheel
2. Chorionvlokken
3. Embryoblast
33 4. Blastulaholte
5. Trofoblast