Absolute cijfers: een getal, 5, 10, 1000 etc.
Actoren: handelende en reagerende mensen en organisaties die een rol spelen.
Betrouwbaarheid (van een onderzoek): de waargenomen informatie klopt.
Causaliteit oorzakelijk verband het ene is zeker de oorzaak en de ander is zeker het gevolg.
Centrum: horend bij de rijkste landen in de wereld.
Conflict: strijd of onenigheid.
Conflicttheorie: theorie die ervanuit gaat dat er altijd sprake is van twee tegengestelden
die in voortdurende strijd verkeren.
Correlatie: als er sprake is van een samenhang tussen twee variabelen.
Consensus: er is overeenstemming, sprake van stabiliteit en continuïteit.
Continuïteit: ononderbroken samenhang.
Generaliseerbaarheid: mate waarin resultaten toepasbaar zijn voor een hele populatie.
Hoor- en wederhoor: mening van voor en tegenstanders zijn meegenomen.
Indicator: aanwijzing voor de (te meten) aanwezigheid van iets.
Legitimiteit: rechtmatigheid, wettigheid.
Latent conflict: niet zichtbaar conflict.
Manifest conflict: zichtbaar conflict
Modus: het getal dat het vaakst voorkomt.
Mediaan: het middelste getal in een rij getallen die van klein naar groot staan.
Meervoudige identiteit: mensen hebben meerdere kenmerken waarop ze hun identiteit
baseren.
Nutsmaximalisatie: streven naar een zo groot mogelijke winst of verwezenlijking van zoveel
mogelijk belangen.
Operationaliseren: omzetten van iets abstracts in meetbare kenmerken.
Periferie: horend bij de armste landen van de wereld.
Paradigma: een theoretisch raamwerk of wetenschappelijk referentie kader dat bestaat
uit een specifieke combi van uitgangspunten en onderzoekstechnische voorschriften.
Respondenten (N=): (aantal) deelnemers aan een onderzoek.
Representativiteit: mate waarin iets als voorbeeld kan gelden voor een groep.
Relatieve cijfers: een percentage in verhouding, bijv. 10%.
Range: geeft aan wat de laagste en de hoogste gemeenschappelijke waarden zijn.