Motorisch leren en ontwikkeling
Zindelijkheid
__________________________________________________
Zindelijkheid, een natuurlijke ontwikkeling van het kind: anatomie
& terminologie
1. De urinewegen
Urinewegen
o Bestaan uit:
Nieren
Urineblaas
Gladde spier
Niet direct beïnvloeden
Samenwerking tussen ons willekeurig en onwillekeurig systeem
Sluitspier
Zelf samentrekken
Sluitspier ontspannen = signaal aan blaas = plassen
o We kunnen zelf kiezen wanneer we deze ledigen !!!
o Stappen van een normale blaaslediging:
STAP 1: sluitspier laat los, ontspant
STAP 2: de blaas trekt samen om de urine te kunnen laten lopen (= reactie op de
ontspanning van de sluitspieren)
STAP 3: de blaas blijft samentrekken en de sluitspieren blijven ontspannen tot de blaas
volledig geledigd is
STAP 4: wanneer de blaas volledig geledigd is, stopt de samentrekking van de blaas en
komen de sluitspieren terug tot rust
STAP 5: de blaas wordt geleidelijk terug gevuld met urine, waarna het proces zich
herhaalt
2. De normale ontwikkeling van het plassen
1
, Bij een zuigeling van 2 – 4 weken oud:
o Plast 24 keer per dag (neemt af met het ouder worden)
o Baby = incontinent
Geen controle over blaas (trekt onwillekeurig samen)
= automatische blaas of baby bladder
o Geen dag-nacht wissel van diurese (= urineproductie)
Evenveel overdag als ’s nachts plassen
Bij volwassen = diureseverandering
o Mensen = geboren met ongecontroleerde blaas en ongecontroleerde urineproductie
o Blaas ontwikkeld naar een gecontroleerde blaas en diurese wordt geregeld
o Zindelijkheid = bepaald door:
Uitrijpen van de blaas, sluitspier en bezenuwing
Uitrijpen van dag-nacht ritme in de diurese
Bij peuters = fasen van zindelijk worden:
o Eerst weet de peuter dat hij geplast heeft
o Dan is de peuter zich bewust dat hij plast
o Vervolgens weet de peuter dat hij gaat plassen
o Ten slotte zegt de peuter dat hij moet plassen
Opgroeien tot continent zijn
o Grotere blaasinhoud en synerge lediging
Blaas = groter bij het opgroeien
Tot leeftijd van 14 jaar
= 400 – 600 ml
Synerge lediging = ontspanning van de dwarsgestreepte sluitspier en blaasspier gaat
opspannen
o Zindelijkheid = bewuste controle van lagere urinewegen en endeldarm
Zelf bepalen wanneer men gaat plassen
o Verschil tussen plassen en stoelgang maken:
Plassen:
Eender welk moment kunnen plassen
Consistentie = lopend
Vaker
Stoelgang maken:
Stoelgangdrang
Consistentie = vast
Persen
Minder vaak
o Wanneer zindelijk? = verschillend van auteur tot auteur
Zindelijkheid overdag:
Hoeveelheid ongelukjes: minder als 4x per week, 1x per dag, sporadisch…
Onafhankelijkheid: zonder supervisie, zelf aangeven wanneer het kind moet
plassen…
Dragen van ondergoed (niet luierafhankelijk zijn)
Controle van de blaas, wachten tot men op een sociaal aanvaardbare plaats is
⇨ Meeste auteurs: onafhankelijk functioneren, controle hebben erover
Zindelijkheid ’s nachts = laatste
o Zindelijkheidsproces verloopt chronologisch:
Controle over de stoelgang ’s nachts
Controle over de stoelgang/plassen overdag (= loopt wisselend)
Controle over plassen ’s nachts
ZINDELIJKHEID:
o Gedurende dag een onderbroek dragen (= niet luier-afhankelijk)
2 o Zelf drang aangeven of zelf naar het potje gaan en plassen
o Zonder dat ouders het kind eraan herinneren te moeten gaan plassen (zelfstandigheid)
o Gecontroleerd ophouden, uitstellen en ledigen
o Ongelukjes: < 4x per week, max 1x per dag, sporadisch
Zindelijkheid
__________________________________________________
Zindelijkheid, een natuurlijke ontwikkeling van het kind: anatomie
& terminologie
1. De urinewegen
Urinewegen
o Bestaan uit:
Nieren
Urineblaas
Gladde spier
Niet direct beïnvloeden
Samenwerking tussen ons willekeurig en onwillekeurig systeem
Sluitspier
Zelf samentrekken
Sluitspier ontspannen = signaal aan blaas = plassen
o We kunnen zelf kiezen wanneer we deze ledigen !!!
o Stappen van een normale blaaslediging:
STAP 1: sluitspier laat los, ontspant
STAP 2: de blaas trekt samen om de urine te kunnen laten lopen (= reactie op de
ontspanning van de sluitspieren)
STAP 3: de blaas blijft samentrekken en de sluitspieren blijven ontspannen tot de blaas
volledig geledigd is
STAP 4: wanneer de blaas volledig geledigd is, stopt de samentrekking van de blaas en
komen de sluitspieren terug tot rust
STAP 5: de blaas wordt geleidelijk terug gevuld met urine, waarna het proces zich
herhaalt
2. De normale ontwikkeling van het plassen
1
, Bij een zuigeling van 2 – 4 weken oud:
o Plast 24 keer per dag (neemt af met het ouder worden)
o Baby = incontinent
Geen controle over blaas (trekt onwillekeurig samen)
= automatische blaas of baby bladder
o Geen dag-nacht wissel van diurese (= urineproductie)
Evenveel overdag als ’s nachts plassen
Bij volwassen = diureseverandering
o Mensen = geboren met ongecontroleerde blaas en ongecontroleerde urineproductie
o Blaas ontwikkeld naar een gecontroleerde blaas en diurese wordt geregeld
o Zindelijkheid = bepaald door:
Uitrijpen van de blaas, sluitspier en bezenuwing
Uitrijpen van dag-nacht ritme in de diurese
Bij peuters = fasen van zindelijk worden:
o Eerst weet de peuter dat hij geplast heeft
o Dan is de peuter zich bewust dat hij plast
o Vervolgens weet de peuter dat hij gaat plassen
o Ten slotte zegt de peuter dat hij moet plassen
Opgroeien tot continent zijn
o Grotere blaasinhoud en synerge lediging
Blaas = groter bij het opgroeien
Tot leeftijd van 14 jaar
= 400 – 600 ml
Synerge lediging = ontspanning van de dwarsgestreepte sluitspier en blaasspier gaat
opspannen
o Zindelijkheid = bewuste controle van lagere urinewegen en endeldarm
Zelf bepalen wanneer men gaat plassen
o Verschil tussen plassen en stoelgang maken:
Plassen:
Eender welk moment kunnen plassen
Consistentie = lopend
Vaker
Stoelgang maken:
Stoelgangdrang
Consistentie = vast
Persen
Minder vaak
o Wanneer zindelijk? = verschillend van auteur tot auteur
Zindelijkheid overdag:
Hoeveelheid ongelukjes: minder als 4x per week, 1x per dag, sporadisch…
Onafhankelijkheid: zonder supervisie, zelf aangeven wanneer het kind moet
plassen…
Dragen van ondergoed (niet luierafhankelijk zijn)
Controle van de blaas, wachten tot men op een sociaal aanvaardbare plaats is
⇨ Meeste auteurs: onafhankelijk functioneren, controle hebben erover
Zindelijkheid ’s nachts = laatste
o Zindelijkheidsproces verloopt chronologisch:
Controle over de stoelgang ’s nachts
Controle over de stoelgang/plassen overdag (= loopt wisselend)
Controle over plassen ’s nachts
ZINDELIJKHEID:
o Gedurende dag een onderbroek dragen (= niet luier-afhankelijk)
2 o Zelf drang aangeven of zelf naar het potje gaan en plassen
o Zonder dat ouders het kind eraan herinneren te moeten gaan plassen (zelfstandigheid)
o Gecontroleerd ophouden, uitstellen en ledigen
o Ongelukjes: < 4x per week, max 1x per dag, sporadisch