H13: nucleair magnetische resonantie beeldvorming
Beeldvorming op basis van NMR: principes
NMR maakt geen gebruik van absorptie van elektromagnetische golven,
maar van radiogolven
Enkel de protonen van het weefsel spelen een rol want is positief
geladen en draait rond met een constante snelheid, wat aanleiding geeft
tot kringstroom
Er ontstaat een dipoolmoment (µ) en een magnetisch veld waarbij
de protonen zich richten met µ volgens de magnetische veldlijnen
Het totale dipoolmoment per eenheid van volume (de magnetische
M) hangt af van de protondensiteit van het weefsel
MRI X-stralen
Gebruik van magnetische velden en radiogolven Gebruik van ionisatie
Gebasseerd op detectie van radiogolven Gebasseerd op verschillen in absorptie,
uitgezonden door specifieke weefsels verstrooiing en uitzending van ioniserende stralen
Gelinkt met de protondensiteit van het weefsel Gelikt met de elektronendensiteit van weefsel
Als een proton door een radiogolf uit zin evenwichtspositie van het magnetisch
veld wordt gehaald, gaat dat proton een pressiebeweging uitvoeren
o De Larmorfrequentie (VL) die recht evenredig is met het magnetisch veld
Als een radiogolf met de Larmorfrequentie invalt op een weefsel, zullen alle
protonen synchroon een
pressiebeweging starten en zal de magnetisatie
wegdraaien van de Z-as (longitudinale as), als de
radiogolf voldoende lang is, zal de magnetisatie
gericht worden in het XY-vlak
(transversaalvlak)
Na de 90° puls zal de magnetisatie terugkeren naar de oorspronkelijke positie
(longitudinale as), waarbij een spiraalbeweging wordt uitgevoerd
De longitudinale tijdsconstante T1 bepaalt de snelheid waarmee de
magnetisatie terugkeert
o T1 is langer voor water vergeleken met meer complexere moleculen
omdat T1 bepaald wordt door de mogelijkheid tot energie-uitwisseling,
wat makkelijker is voor grotere moleculen
o Hoe meer water er aanwezig is, hoe langer T1
De transversale relaxatietijdsconstante T2 bepaalt de snelheid waarmee een nieuw signaal
gegeven wordt na de magnetisatie
o Hoe meer water er aanwezig is, hoe langer T2
Pulssequenties
Het signaal bij beeldvorming met magnetische resonantie is afhankelijk van de protondensiteit
van het weefsel, T1 en T2
Pulssequentie: verschillende radiogolven worden na elkaar gegeven om de verschillen van de 3
parameters van verschillende weefsels te benutten
2 soorten
Beeldvorming op basis van NMR: principes
NMR maakt geen gebruik van absorptie van elektromagnetische golven,
maar van radiogolven
Enkel de protonen van het weefsel spelen een rol want is positief
geladen en draait rond met een constante snelheid, wat aanleiding geeft
tot kringstroom
Er ontstaat een dipoolmoment (µ) en een magnetisch veld waarbij
de protonen zich richten met µ volgens de magnetische veldlijnen
Het totale dipoolmoment per eenheid van volume (de magnetische
M) hangt af van de protondensiteit van het weefsel
MRI X-stralen
Gebruik van magnetische velden en radiogolven Gebruik van ionisatie
Gebasseerd op detectie van radiogolven Gebasseerd op verschillen in absorptie,
uitgezonden door specifieke weefsels verstrooiing en uitzending van ioniserende stralen
Gelinkt met de protondensiteit van het weefsel Gelikt met de elektronendensiteit van weefsel
Als een proton door een radiogolf uit zin evenwichtspositie van het magnetisch
veld wordt gehaald, gaat dat proton een pressiebeweging uitvoeren
o De Larmorfrequentie (VL) die recht evenredig is met het magnetisch veld
Als een radiogolf met de Larmorfrequentie invalt op een weefsel, zullen alle
protonen synchroon een
pressiebeweging starten en zal de magnetisatie
wegdraaien van de Z-as (longitudinale as), als de
radiogolf voldoende lang is, zal de magnetisatie
gericht worden in het XY-vlak
(transversaalvlak)
Na de 90° puls zal de magnetisatie terugkeren naar de oorspronkelijke positie
(longitudinale as), waarbij een spiraalbeweging wordt uitgevoerd
De longitudinale tijdsconstante T1 bepaalt de snelheid waarmee de
magnetisatie terugkeert
o T1 is langer voor water vergeleken met meer complexere moleculen
omdat T1 bepaald wordt door de mogelijkheid tot energie-uitwisseling,
wat makkelijker is voor grotere moleculen
o Hoe meer water er aanwezig is, hoe langer T1
De transversale relaxatietijdsconstante T2 bepaalt de snelheid waarmee een nieuw signaal
gegeven wordt na de magnetisatie
o Hoe meer water er aanwezig is, hoe langer T2
Pulssequenties
Het signaal bij beeldvorming met magnetische resonantie is afhankelijk van de protondensiteit
van het weefsel, T1 en T2
Pulssequentie: verschillende radiogolven worden na elkaar gegeven om de verschillen van de 3
parameters van verschillende weefsels te benutten
2 soorten