Samenvatting Celbiologie:
Hoofdstuk 2
In levende cellen onderscheidt men het cytoplasma en het protoplasma. Cytoplasma is het waterig
medium tussen de celorganellen dat een zeer grote variatie aan biochemische vewrbindingen bevat.
Het protoplasma is het gedeelte van de cel ingesloten wordt door de celwand (m.a.w. de cel min de
celwand). Protoplasten zijn cellen waarvan men op kunstmatige wijze de celwand verwijderd heeft.
Levende wezens worden in twee groepen opgedeeld: prokaryoten en eukaryoten. Eén van de
belangrijkste stappen in de evolutie van prokaryoten naar eukaryoten was het verkrijgen van
mitochondriën.
2.1 Algemene structuur van de prokaryote cel
Behoren: bacteriën en de blauwwieren. Ze bevatten geen duidelijke intracellulaire
compartimentering.
Bij de prokaryote celen bestaat er wel een kernzone (niet van vh cytoplasma afgescheiden) en
komen er soms ook mesosomen en thylakoïdstructuren voor. Deze structuren hebben enkel de
functie pù het oppervlak van het plasmalemma te vergroten
Eigenschappen:
Ongeveer 1µm groot
Kunnen bolvormig, staafvormig, langgerekt, spiraalvormig, enz. zijn.
Variatie van de vorm is wel veel beperkter dan bij de eukaryoten cellen
2.2 Algemene structuur van de eukaryote cel
In bijna alle eukaryote cellen (10-20µm) treft men een duidelijke interne compartimentering aan
waarbij de verschillende types van een eigen specifieke structuur en functie blijken te bezitten. De
onderdelen noemen we celorganellen met de voornaamste:
Kern
Mitochondriën
, Chloroplasten (planten) (+- 5µm)
Golgi-apparaat
Endoplasmatisch reticulum
Lysosomen (dieren
Vacuole (planten) (groot en centraal)
Peroxisomen en glyoxisomen (komen minder voor)
Overzicht van de
cellulaire structuren:
1. Gemeenschappelijk aan plantaardige en dierlijke cel:
- kern met nucleolus en kernporiën
- mitochondriën
- golgi-complex (bij planten ook dictyosoom genoemd)
- endoplasmatisch reticulum
* glad (smooth) endoplasmatisch reticulum of SER: niet bezet met ribosomen
* ruw (rough) endoplasmatisch reticulum of RER: bezet met ribosomen
- vet- of oliedruppeltjes
- microtubuli (onderdeel van cytoskelet)
- peroxisomen (en eventueel andere microbodies)
- partikels van onopgeloste reservestoffen
- vrije ribosomen (niet membraangebonden, eventueel wel in groepjes als molysomen)
2. Specifiek voor dierlijke cel
- lysosomen
- glycocalyx
- centrosoom bestaande uit twee centriolen (ook bij fungi)
3. Specifiek voor plantaardige cel
- chloroplasten (en/of andere plastidtypes)
- grote centrale vacuole
- celwand
- glyoxisomen (en eventueel andere microbodies)
, Dubbele membraan: kern, mitochondriën, cholorplasten <==> Enkele membraan: alle andere
2.3 Structuur en functie bij virussen en andere
primitieve organismen
Virussen zijn van grootte 0,02-0,2µm terwijl mycoplasma’s 0,1µm, bacterie 1-2µm en een eukaryote
cel 10-20µm is. Een algemene karakteristiek van levende wezens is dat ze zichzelf reproduceren.
Virussen reproduceren zichzelf niet maar laten zichzelf reproduceren door andere organismen.
De structuur van virussen is zeer eenvoudig in vergelijking met andere levende wezens. Virussen
bezitten een kern van genetisch materiaal met daarrond een proteïnemantel. Het genetisch
materiaal bevat alle informatie die nodig is voor de vermenigvuldiging van het virus door een
levende cel. De porteïnemantel zorgt voor een fysische bescherming van het genetisch materiaal.
Wanneer het virus in contact komt met een levende cel wordt het genetisch materiaal op een of
andere manier in de cel overgebracht en zal het de cel verplichten dit genetisch materiaal te
vermenigvuldigen en er nieuwe porteïnemantel rond te maken. Het oorspronkelijke porteïnemantel
Hoofdstuk 2
In levende cellen onderscheidt men het cytoplasma en het protoplasma. Cytoplasma is het waterig
medium tussen de celorganellen dat een zeer grote variatie aan biochemische vewrbindingen bevat.
Het protoplasma is het gedeelte van de cel ingesloten wordt door de celwand (m.a.w. de cel min de
celwand). Protoplasten zijn cellen waarvan men op kunstmatige wijze de celwand verwijderd heeft.
Levende wezens worden in twee groepen opgedeeld: prokaryoten en eukaryoten. Eén van de
belangrijkste stappen in de evolutie van prokaryoten naar eukaryoten was het verkrijgen van
mitochondriën.
2.1 Algemene structuur van de prokaryote cel
Behoren: bacteriën en de blauwwieren. Ze bevatten geen duidelijke intracellulaire
compartimentering.
Bij de prokaryote celen bestaat er wel een kernzone (niet van vh cytoplasma afgescheiden) en
komen er soms ook mesosomen en thylakoïdstructuren voor. Deze structuren hebben enkel de
functie pù het oppervlak van het plasmalemma te vergroten
Eigenschappen:
Ongeveer 1µm groot
Kunnen bolvormig, staafvormig, langgerekt, spiraalvormig, enz. zijn.
Variatie van de vorm is wel veel beperkter dan bij de eukaryoten cellen
2.2 Algemene structuur van de eukaryote cel
In bijna alle eukaryote cellen (10-20µm) treft men een duidelijke interne compartimentering aan
waarbij de verschillende types van een eigen specifieke structuur en functie blijken te bezitten. De
onderdelen noemen we celorganellen met de voornaamste:
Kern
Mitochondriën
, Chloroplasten (planten) (+- 5µm)
Golgi-apparaat
Endoplasmatisch reticulum
Lysosomen (dieren
Vacuole (planten) (groot en centraal)
Peroxisomen en glyoxisomen (komen minder voor)
Overzicht van de
cellulaire structuren:
1. Gemeenschappelijk aan plantaardige en dierlijke cel:
- kern met nucleolus en kernporiën
- mitochondriën
- golgi-complex (bij planten ook dictyosoom genoemd)
- endoplasmatisch reticulum
* glad (smooth) endoplasmatisch reticulum of SER: niet bezet met ribosomen
* ruw (rough) endoplasmatisch reticulum of RER: bezet met ribosomen
- vet- of oliedruppeltjes
- microtubuli (onderdeel van cytoskelet)
- peroxisomen (en eventueel andere microbodies)
- partikels van onopgeloste reservestoffen
- vrije ribosomen (niet membraangebonden, eventueel wel in groepjes als molysomen)
2. Specifiek voor dierlijke cel
- lysosomen
- glycocalyx
- centrosoom bestaande uit twee centriolen (ook bij fungi)
3. Specifiek voor plantaardige cel
- chloroplasten (en/of andere plastidtypes)
- grote centrale vacuole
- celwand
- glyoxisomen (en eventueel andere microbodies)
, Dubbele membraan: kern, mitochondriën, cholorplasten <==> Enkele membraan: alle andere
2.3 Structuur en functie bij virussen en andere
primitieve organismen
Virussen zijn van grootte 0,02-0,2µm terwijl mycoplasma’s 0,1µm, bacterie 1-2µm en een eukaryote
cel 10-20µm is. Een algemene karakteristiek van levende wezens is dat ze zichzelf reproduceren.
Virussen reproduceren zichzelf niet maar laten zichzelf reproduceren door andere organismen.
De structuur van virussen is zeer eenvoudig in vergelijking met andere levende wezens. Virussen
bezitten een kern van genetisch materiaal met daarrond een proteïnemantel. Het genetisch
materiaal bevat alle informatie die nodig is voor de vermenigvuldiging van het virus door een
levende cel. De porteïnemantel zorgt voor een fysische bescherming van het genetisch materiaal.
Wanneer het virus in contact komt met een levende cel wordt het genetisch materiaal op een of
andere manier in de cel overgebracht en zal het de cel verplichten dit genetisch materiaal te
vermenigvuldigen en er nieuwe porteïnemantel rond te maken. Het oorspronkelijke porteïnemantel