Methoden en technieken van onderzoek
Onderzoeksmethoden
Effectonderzoek in de gedragswetenschappen
,Inhoudsopgave
Onderzoeksmethoden
Oefententamenvragen hoofdstuk 2 ………………………………………………… Blz. 3
Oefententamenvragen hoofdstuk 3 ………………………………………………… Blz. 5
Oefententamenvragen hoofdstuk 4 ………………………………………………… Blz. 5
Oefententamenvragen hoofdstuk 5 ………………………………………………… Blz. 7
Oefententamenvragen hoofdstuk 6 ………………………………………………… Blz. 8
Oefententamenvraag hoofdstuk 9 ………………………………………………… Blz. 9
Effectonderzoek in de gedragswetenschappen
Oefententamenvragen hoofdstuk 3 ………………………………………………… Blz. 10
Oefententamenvragen hoofdstuk 4 ………………………………………………… Blz. 11
Oefententamenvragen hoofdstuk 5 ………………………………………………… Blz. 13
Oefententamenvragen hoofdstuk 6 ………………………………………………… Blz. 15
Antwoorden Onderzoeksmethoden …………………………………………………… Blz. 17
Antwoorden Effectonderzoek in de gedragswetenschappen …………………………… Blz. 20
2
, Oefententamenvragen hoofdstuk 2
1. Aan de hand van welk onderdeel van het onderzoeksplan wordt het conceptueel model
opgesteld?
a. Vraagstelling
b. Doelstelling
c. Theoretisch raamwerk
d. Onderzoeksontwerp
2. Uit welke onderdelen van het onderzoeksplan bestaat de probleemstelling?
a. Vraagstelling en doelstelling
b. Vraagstelling, doelstelling en theoretisch raamwerk
c. Vraagstelling, doelstelling, theoretisch raamwerk en onderzoeksontwerp
d. Vraagstelling, doelstelling en dataverzamelingsplan
3. Hieronder worden twee stellingen genoemd. Bekijk of ze juist of onjuist zijn en geef
daarbij het goede antwoord.
1. Wanneer je generaliserende uitspraken wilt doen gebruik je een kanssteekproef
2. Wanneer je een specifieke subpopulatie zo volledig mogelijk wilt beschrijven zonder
te generaliseren gebruik je een niet-kanssteekproef
a. Stelling 1 is juist; stelling 2 is onjuist
b. Stelling 1 is onjuist; stelling 2 is juist
c. Beide stellingen zijn juist
d. Beide stellingen zijn onjuist
4. Zijn er verschillen in het percentage criminaliteit in de stad Groningen en het platteland
van Groningen? Van wat voor soort vraagstelling is in deze vraag sprake?
a. Beschrijvende trendvraagstelling
b. Beschrijvende comparatieve vraagstelling
c. Verklarende vraagstelling
d. Voorspellende vraagstelling
5. Wat gebeurt er als er een interventie programma opgezet wordt voor het platteland om
het percentage criminaliteit te verminderen? Van wat voor soort vraagstelling is in deze
vraag sprake?
a. Beschrijvende trendvraagstelling
b. Beschrijvende comparatieve vraagstelling
c. Verklarende vraagstelling
d. Voorspellende vraagstelling
3