Samenvatting microbiologie:
Prof. Van den Steen
DEEL 1: Parasitologie
1.1: Inleiding
Enkele zéér belangrijke terminologie:
• Verschil tussen:
o Virussen.
o Bacteriën.
o Parasieten.
o Fungi.
• Transcriptie:
o RNA-synthese op basis van de DNA-sequentie.
o Wordt uitgevoerd door het RNA-polymerase.
• Translatie:
o Synthese van eiwitten op basis van het mRNA.
o Wordt uitgevoerd door de ribosomen.
• Celmembraan:
o Dubbellaag van fosfolipiden.
o Omgeeft het cytoplasma.
• Celwand:
o Structuur aan de buitenzijde van de celmembraan.
o Geeft stevigheid aan de cel.
• Trophozoiet:
o Protozoaire cel die zich aan het voeden is.
• Mastigophora:
o Synoniem voor de flagellaten.
• Sporozoiet:
o Parasietstadium.
o Ontstaat meestal na seksuele voortplanting.
• Zuurvaste bacterie:
o Bacterie met mycolzuurlaag in de celwand.
o Deze mycolzuurlaag vormt een soort buitenmembraan van de bacterie.
• Verschil tussen:
o Peptidoglycaan.
o Glycopeptide.
o Aminoglycoside.
1
,Belang van parasitaire infecties:
• Enkele voorbeelden:
o Malaria:
▪ > 200 miljoen zieken per jaar.
▪ > 0.4 miljoen doden per jaar.
o Slaapziekte:
▪ > 3000 gevallen per jaar.
▪ Enorme economische schade als gevolg.
o Schistosoma:
▪ > 250 miljoen mensen geïnfecteerd.
o Ascaris:
▪ > 1 miljard mensen geïnfecteerd.
• Voornamelijk in ontwikkelingslanden:
o Onvoldoende hygiënische omstandigheden spelen een grote factor.
o Sommige parasieten komen ook in de Westerse wereld voor.
• Sommige parasieten zijn opportunisten:
o Infecteren vooral mensen met een onderdrukte immuniteit:
▪ Vaak immunodeficiënte mensen
▪ AIDS-patiënten:
- Verzwakt immuunsysteem door het HIV.
▪ Na transplantatie:
- Krijgen medicatie toegediend om het immuunsysteem te
onderdrukken zodanig dat het getransplanteerde orgaan niet
wordt afgestoten door het lichaam.
Definitie van parasitisme:
Vorm van symbiose waarbij 1 van de partners afhankelijk is van de andere partner in verband
met nutriënten, protectie etc... Hierbij ‘geniet’ de parasiet van deze vorm van samenleving,
terwijl het schadelijk is voor de gastheer.
Er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de verschillende parasieten:
• Ectoparasieten:
o Zitten op het lichaam.
o Voorbeeld(en):
▪ Teken.
• Endoparasieten:
o Zitten in het lichaam.
o Protozoa:
▪ Eukaryote eencelligen zonder celwand.
↔ bacteriën (prokaryoten) en gisten (eukaryoten met celwand)
2
, ▪ Onderverdeling gedeeltelijk gebaseerd op voortbewegingswijze:
- Amoebae.
- Mastigophora = flagellaten:
1. Giardia.
2. Leishmania.
3. Trypanosoma.
- Apicomplexa:
1. Plasmodium.
2. Toxoplasma.
- (Ciliophora):
1. Paramecium = pantoffeldiertje.
2. Balantidium coli.
- (Microsporidia):
Worden tegenwoordig bij de fungi ondergebracht.
Bevatten geen mitochondriën.
o Helminthes = wormen.
3
, 1.2: Amoebae
Voortbeweging gebeurt met behulp van pseudopodia.
Werkingsmechanisme:
• Polymerisatie van het cytoskelet wat resulteert in de vorming van ‘plasmagel’ die
gesynthetiseerd wordt aan de voorkant van de amoebae.
• Aan de achterkant van de amoebae vindt er depolymerisatie van het cytoskelet plaats
wat resulteert in het afbreken van de ‘plasmagel’.
• Op deze manier bewegen de amoebae zich voort over een oppervlak.
Een medisch belangrijke parasiet binnen de groep van de amoebae is Entamoeba histolytica:
• Pseudopodium aanwezig.
• Onderscheid tussen de soorten gebaseerd op:
o De morfologie van de kern.
o De aan-of afwezigheid van ‘chromatoidal bars’.
• Cosmopoliet, ook in de Westerse wereld, vooral in dichtbevolkte gebieden.
• Transmissie verloopt via cysten in faeces:
o Cysten zorgen voor het overleven in ongunstige omstandigheden zoals
droogte, te lage of te hoge temperatuur:
▪ Overleven in het darmkanaal van vliegen en kakkerlakken.
o Belang van hygiëne.
4
Prof. Van den Steen
DEEL 1: Parasitologie
1.1: Inleiding
Enkele zéér belangrijke terminologie:
• Verschil tussen:
o Virussen.
o Bacteriën.
o Parasieten.
o Fungi.
• Transcriptie:
o RNA-synthese op basis van de DNA-sequentie.
o Wordt uitgevoerd door het RNA-polymerase.
• Translatie:
o Synthese van eiwitten op basis van het mRNA.
o Wordt uitgevoerd door de ribosomen.
• Celmembraan:
o Dubbellaag van fosfolipiden.
o Omgeeft het cytoplasma.
• Celwand:
o Structuur aan de buitenzijde van de celmembraan.
o Geeft stevigheid aan de cel.
• Trophozoiet:
o Protozoaire cel die zich aan het voeden is.
• Mastigophora:
o Synoniem voor de flagellaten.
• Sporozoiet:
o Parasietstadium.
o Ontstaat meestal na seksuele voortplanting.
• Zuurvaste bacterie:
o Bacterie met mycolzuurlaag in de celwand.
o Deze mycolzuurlaag vormt een soort buitenmembraan van de bacterie.
• Verschil tussen:
o Peptidoglycaan.
o Glycopeptide.
o Aminoglycoside.
1
,Belang van parasitaire infecties:
• Enkele voorbeelden:
o Malaria:
▪ > 200 miljoen zieken per jaar.
▪ > 0.4 miljoen doden per jaar.
o Slaapziekte:
▪ > 3000 gevallen per jaar.
▪ Enorme economische schade als gevolg.
o Schistosoma:
▪ > 250 miljoen mensen geïnfecteerd.
o Ascaris:
▪ > 1 miljard mensen geïnfecteerd.
• Voornamelijk in ontwikkelingslanden:
o Onvoldoende hygiënische omstandigheden spelen een grote factor.
o Sommige parasieten komen ook in de Westerse wereld voor.
• Sommige parasieten zijn opportunisten:
o Infecteren vooral mensen met een onderdrukte immuniteit:
▪ Vaak immunodeficiënte mensen
▪ AIDS-patiënten:
- Verzwakt immuunsysteem door het HIV.
▪ Na transplantatie:
- Krijgen medicatie toegediend om het immuunsysteem te
onderdrukken zodanig dat het getransplanteerde orgaan niet
wordt afgestoten door het lichaam.
Definitie van parasitisme:
Vorm van symbiose waarbij 1 van de partners afhankelijk is van de andere partner in verband
met nutriënten, protectie etc... Hierbij ‘geniet’ de parasiet van deze vorm van samenleving,
terwijl het schadelijk is voor de gastheer.
Er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de verschillende parasieten:
• Ectoparasieten:
o Zitten op het lichaam.
o Voorbeeld(en):
▪ Teken.
• Endoparasieten:
o Zitten in het lichaam.
o Protozoa:
▪ Eukaryote eencelligen zonder celwand.
↔ bacteriën (prokaryoten) en gisten (eukaryoten met celwand)
2
, ▪ Onderverdeling gedeeltelijk gebaseerd op voortbewegingswijze:
- Amoebae.
- Mastigophora = flagellaten:
1. Giardia.
2. Leishmania.
3. Trypanosoma.
- Apicomplexa:
1. Plasmodium.
2. Toxoplasma.
- (Ciliophora):
1. Paramecium = pantoffeldiertje.
2. Balantidium coli.
- (Microsporidia):
Worden tegenwoordig bij de fungi ondergebracht.
Bevatten geen mitochondriën.
o Helminthes = wormen.
3
, 1.2: Amoebae
Voortbeweging gebeurt met behulp van pseudopodia.
Werkingsmechanisme:
• Polymerisatie van het cytoskelet wat resulteert in de vorming van ‘plasmagel’ die
gesynthetiseerd wordt aan de voorkant van de amoebae.
• Aan de achterkant van de amoebae vindt er depolymerisatie van het cytoskelet plaats
wat resulteert in het afbreken van de ‘plasmagel’.
• Op deze manier bewegen de amoebae zich voort over een oppervlak.
Een medisch belangrijke parasiet binnen de groep van de amoebae is Entamoeba histolytica:
• Pseudopodium aanwezig.
• Onderscheid tussen de soorten gebaseerd op:
o De morfologie van de kern.
o De aan-of afwezigheid van ‘chromatoidal bars’.
• Cosmopoliet, ook in de Westerse wereld, vooral in dichtbevolkte gebieden.
• Transmissie verloopt via cysten in faeces:
o Cysten zorgen voor het overleven in ongunstige omstandigheden zoals
droogte, te lage of te hoge temperatuur:
▪ Overleven in het darmkanaal van vliegen en kakkerlakken.
o Belang van hygiëne.
4