Samenvatting Systeemfysiologie:
Prof. Missiaen
DEEL 1: Nieren
1.1: Perfusie
1.1.1: Anatomie
De nier bestaat uit 3 grote delen:
• Nierkapsel.
• Cortex.
• (Binnenste en buitenste) medulla.
De nier bevat ongeveer 1 miljoen nefronen (dit aantal daalt met de leeftijd) en bestaat
hoofdzakelijk uit 2 delen:
• Nierlichaampje
o Bestaat uit:
▪ Glomerulair capillair (kluwen van haarvaten).
▪ Kapsel van Bowman → visceraal blad tegen de capillairen, pariëtaal blad
tegen de buitenkant.
▪ Ruimte van Bowman.
o Gelegen in de cortex van de nier → granulair uitzicht.
• Tubuli
o Bestaat uit:
▪ Proximale tubulus:
- Kronkelbuisje.
- Recht buisje.
▪ Lis van Henle:
- Dunne dalende tak.
- Dunne opstijgende tak.
- Dikke opstijgende tak die terugkeert naar het nierlichaampje
met als contactpunt de macula densa.
▪ Distale tubulus.
1
, ▪ Verzamelbuis:
- Corticale in de cortex van de nier.
- Buitenste en binnenste medullaire in de medulla van de nier.
De nier bevat een groot aantal bloedvaten die zorgen voor de bloedaf- en bloedaanvoer. We
vermelden hieronder de belangrijkste in volgorde van aan- en afvoer:
1. Arteria renalis → zijtak van de aorta.
2. Afferente arteriolen (kleine slagader) → aanvoerend.
3. Glomerulaire capillairen.
Capillairen eindigen normaal in venen, hier eindigen de capillairen in arteriolen die het
bloed gaan wegvoeren.
4. Efferente arteriolen (kleine slagader) → wegvoerend.
5. Peritubulaire capillairen.
6. Vena renalis.
1.1.2: Detectie van het extracellulair volume
Het extracellulair volume is het volume aan extracellulair vocht buiten de cellen. Het
extracellulair vocht is opgedeeld in 2 compartimenten:
• Plasma in de bloedvaten → 25%
o 20% arterieel.
o 80% capillair en veneus.
• Interstitium buiten de bloedvaten → 75%
De mens heeft geen enkele sensor voor het extracellulair volume, wel voor het ECV = effectief
circulerend volume = volume arterieel plasma dat de weefsels bevloeit. Er zijn 3 mogelijke
manieren om het ECV te meten:
2
, • Arteriele druk (bloeddruk in de slagaders)
o Reden: ECV
~
Volume veneus plasma dat terugkeert naar het hart
~
Hartdebiet
~
Arteriële druk
• Vulling van de circulatie
o Reden: ECV
~
Volume veneus plasma dat terugkeert naar het hart
~
Vulling van het hart en de grote bloedvaten
• Aanvoer van NaCl naar de nieren
o Reden: ECV
~
Aanvoer NaCl naar de nieren
Besluit:
Indien het ECV daalt, dan daalt ook:
• De arteriële druk.
• De vulling van de circulatie.
• De aanvoer van NaCl naar de nieren.
Een verandering in dit ECV wordt waargenomen met behulp van 5 sensoren in het menselijke
lichaam:
• Arteriële baroreceptoren:
o Waar:
▪ Sinus caroticus (verbreding ter hoogte van de halsslagader).
▪ Aortaboog.
o Waarop:
▪ Daling van de arteriële druk.
o Hoe:
▪ Laten de hypofyse meer ADH produceren en secreteren.
• Cardiopulmonale baroreceptoren:
o Waar:
▪ Atria van het hart.
3
, ▪ Veno-atriale juncties (waar aders in het hart terechtkomen).
▪ Truncus pulmonalis.
▪ Aa. Pulmonales → splitsing naar elke long.
o Waarop:
▪ Verminderde vulling van de circulatie.
o Hoe:
▪ Laten de hypofyse meer ADH produceren en secreteren.
• Juxtaglomerulair apparaat:
o Waar:
▪ Nieren, meer bepaald 3 celtypes:
- Macula densa.
- Extraglomerulaire mesangiale cellen → steunweefsel.
- Juxtaglomerulaire cellen (gemodificeerde gladde spiercellen in
de afferente arteriolen).
o Waarop:
▪ Daling van de arteriële druk.
▪ Verminderde vulling van de circulatie.
▪ Minder aanvoer van NaCl naar de nieren.
o Hoe:
▪ Juxtaglomerulaire cellen secreteren het proteolytisch enzym renine.
▪ 3 verklaringen:
- De arteriële druk daalt → de druk in de juxtaglomerulaire cellen
daalt → prikkel voor de reninesecretie door de nieren.
- Arteriële druk en vulling van de circulatie dalen → stimulatie van
de (ortho)sympatische zenuwen → stimuleren reninesecretie.
- De aanvoer NaCl naar de nieren daalt → detectie door de macula
densa → macula densa secreteert paracriene factoren →
reninesecretie door de nieren.
▪ Wat doet renine?
- De lever secreteert angiotensinogeen in het bloed.
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 … 453
aminozuren renine
Angiotensine I → naar de longen.
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
aminozuren ACE
Angiotensine II → stimuleren de bijnieren om aldosteron te secreteren.
4
Prof. Missiaen
DEEL 1: Nieren
1.1: Perfusie
1.1.1: Anatomie
De nier bestaat uit 3 grote delen:
• Nierkapsel.
• Cortex.
• (Binnenste en buitenste) medulla.
De nier bevat ongeveer 1 miljoen nefronen (dit aantal daalt met de leeftijd) en bestaat
hoofdzakelijk uit 2 delen:
• Nierlichaampje
o Bestaat uit:
▪ Glomerulair capillair (kluwen van haarvaten).
▪ Kapsel van Bowman → visceraal blad tegen de capillairen, pariëtaal blad
tegen de buitenkant.
▪ Ruimte van Bowman.
o Gelegen in de cortex van de nier → granulair uitzicht.
• Tubuli
o Bestaat uit:
▪ Proximale tubulus:
- Kronkelbuisje.
- Recht buisje.
▪ Lis van Henle:
- Dunne dalende tak.
- Dunne opstijgende tak.
- Dikke opstijgende tak die terugkeert naar het nierlichaampje
met als contactpunt de macula densa.
▪ Distale tubulus.
1
, ▪ Verzamelbuis:
- Corticale in de cortex van de nier.
- Buitenste en binnenste medullaire in de medulla van de nier.
De nier bevat een groot aantal bloedvaten die zorgen voor de bloedaf- en bloedaanvoer. We
vermelden hieronder de belangrijkste in volgorde van aan- en afvoer:
1. Arteria renalis → zijtak van de aorta.
2. Afferente arteriolen (kleine slagader) → aanvoerend.
3. Glomerulaire capillairen.
Capillairen eindigen normaal in venen, hier eindigen de capillairen in arteriolen die het
bloed gaan wegvoeren.
4. Efferente arteriolen (kleine slagader) → wegvoerend.
5. Peritubulaire capillairen.
6. Vena renalis.
1.1.2: Detectie van het extracellulair volume
Het extracellulair volume is het volume aan extracellulair vocht buiten de cellen. Het
extracellulair vocht is opgedeeld in 2 compartimenten:
• Plasma in de bloedvaten → 25%
o 20% arterieel.
o 80% capillair en veneus.
• Interstitium buiten de bloedvaten → 75%
De mens heeft geen enkele sensor voor het extracellulair volume, wel voor het ECV = effectief
circulerend volume = volume arterieel plasma dat de weefsels bevloeit. Er zijn 3 mogelijke
manieren om het ECV te meten:
2
, • Arteriele druk (bloeddruk in de slagaders)
o Reden: ECV
~
Volume veneus plasma dat terugkeert naar het hart
~
Hartdebiet
~
Arteriële druk
• Vulling van de circulatie
o Reden: ECV
~
Volume veneus plasma dat terugkeert naar het hart
~
Vulling van het hart en de grote bloedvaten
• Aanvoer van NaCl naar de nieren
o Reden: ECV
~
Aanvoer NaCl naar de nieren
Besluit:
Indien het ECV daalt, dan daalt ook:
• De arteriële druk.
• De vulling van de circulatie.
• De aanvoer van NaCl naar de nieren.
Een verandering in dit ECV wordt waargenomen met behulp van 5 sensoren in het menselijke
lichaam:
• Arteriële baroreceptoren:
o Waar:
▪ Sinus caroticus (verbreding ter hoogte van de halsslagader).
▪ Aortaboog.
o Waarop:
▪ Daling van de arteriële druk.
o Hoe:
▪ Laten de hypofyse meer ADH produceren en secreteren.
• Cardiopulmonale baroreceptoren:
o Waar:
▪ Atria van het hart.
3
, ▪ Veno-atriale juncties (waar aders in het hart terechtkomen).
▪ Truncus pulmonalis.
▪ Aa. Pulmonales → splitsing naar elke long.
o Waarop:
▪ Verminderde vulling van de circulatie.
o Hoe:
▪ Laten de hypofyse meer ADH produceren en secreteren.
• Juxtaglomerulair apparaat:
o Waar:
▪ Nieren, meer bepaald 3 celtypes:
- Macula densa.
- Extraglomerulaire mesangiale cellen → steunweefsel.
- Juxtaglomerulaire cellen (gemodificeerde gladde spiercellen in
de afferente arteriolen).
o Waarop:
▪ Daling van de arteriële druk.
▪ Verminderde vulling van de circulatie.
▪ Minder aanvoer van NaCl naar de nieren.
o Hoe:
▪ Juxtaglomerulaire cellen secreteren het proteolytisch enzym renine.
▪ 3 verklaringen:
- De arteriële druk daalt → de druk in de juxtaglomerulaire cellen
daalt → prikkel voor de reninesecretie door de nieren.
- Arteriële druk en vulling van de circulatie dalen → stimulatie van
de (ortho)sympatische zenuwen → stimuleren reninesecretie.
- De aanvoer NaCl naar de nieren daalt → detectie door de macula
densa → macula densa secreteert paracriene factoren →
reninesecretie door de nieren.
▪ Wat doet renine?
- De lever secreteert angiotensinogeen in het bloed.
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 … 453
aminozuren renine
Angiotensine I → naar de longen.
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
aminozuren ACE
Angiotensine II → stimuleren de bijnieren om aldosteron te secreteren.
4