Methodologie van onderzoek
1| Onderzoek
Belang van onderzoek
= werkwijze voor verzamelen van informatie ivm de situatie
Richtsnoer voor formuleren van doelen
Zonder goed onderzoek is doelgerichte interventie onmogelijk
Doelen
Onderzoeken wegens verschillende redenen
Om een diagnose te stellen
o Welk soort van behandeling of welk type behandeling voor een cliënt
o Komt de persoon in aanmerking en heeft die nood aan therapie?
Onderzoek doen om iets te meten / kwantificering
o Nagaan aan de hand van een onderzoek of de behandeling effect heeft
o Heeft het nut en is er vooruit gang?
o Moet de behandeling aangepast worden?
Andere redenen
o Of cliënt in aanmerking komt om kosten terugbetaald te worden
o Soms heb je dat nodig om dat te blijven bewijzen
Onderzoek in therapieproces
Aanvangsonderzoek
o Probleem vastleggen
o Planning van interventie
Tijdens de interventie
o Opvolgen van interventie
o Nagaan in welke mate korte termijn doelen verwezenlijkt zijn
o Nieuwe korte termijn doelen vastleggen
o Nagaan of het langetermijndoel nog steeds van toepassing is
Slotonderzoek
o Opvolgen van langetermijndoelen
o Suggesties voor verdere revalidatie
1
,2| Belangrijke begrippen
Betrouwbaarheid en validiteit zijn essentieel als we een onderzoek goed willen doen
Betrouwbaarheid (WO-L p103-104)
3 belangrijke vragen
Is het resultaat niet te wijten aan toeval?
Is het resultaat niet afhankelijk van omstandigheden, testleider?
Krijgen we hetzelfde resultaat bij verschillende afnames?
Bij ‘nee, nee, ja’ is het een betrouwbaar onderzoek
Voorbeeld:
Meneer x volgt een dieet en wil weten of zijn dieet effect heeft en weegt zich dagelijks op de
weegschaal
o Met zekerheid moet kunnen zeggen door vaak te meten dat hij is afgevallen en dat
het niet toeval is → betrouwbare meting
o Vast moment wegen: niet de ene dag voor het ontbijt en de andere erna,
toiletbezoek,… → niet betrouwbaar
o Meting betrouwbaarder maken door protocol uit te schrijven van wanneer, hoe en
waar hij zich weegt: voor hij alles doet → betrouwbaarder resultaat
o Waardoor de daling wel door het gewicht zou zijn en niet door kleren
Onderzoek maakt bandopname van een stotteraar (gesprek) en analyseert het
o 1ste analyse: 15x woordherhaling 17x woorddeelherhaling, 16x blokkering, 6x
verlenging
o 2de analyse: zelfde resultaat
Mogelijk bronnen van onbetrouwbaarheid
Complexiteit van het onderzochte probleem
Inadequate definitie van de begrippen
o Bij analyse moet er duidelijk zijn wat de definitie is → bv: wat is een woordherhaling
of een blokkering: juiste definitie van een begrip
Beoordelaars niet op 1 lijn krijgen
o Beoordelaars moeten dezelfde manier van werken en definitie hebben (bv: bij
onderzoek van bandje)
Diverse toevallige factoren
Hoe een aanvaardbaar betrouwbaarheidsniveau
bereiken
Helder en concreet definiëren van begrippen
Trainen van beoordelaars (WO-L:p.94)
o Duur van de observatie en hoe er moet ‘gescoord’ worden
o Situatie en omgeving van de observatie/registratie
o Data eerst kort trainen voor observeren/scoren/registeren
o Duidelijke instructie geven (en op papier zetten)
Verrichten van vooronderzoek
2
, Types van betrouwbaarheid
Intrascorersbetrouwbaarheid
= intra- individuele betrouwbaarheid, intra-observer betrouwbaarheid
→ 1 onderzoeker: je gaat de 1ste keer de analyse doen en de 2 de keer ook zelf en dan vergelijken
Interscorersbetrouwbaarheid
= inter-individuele betrouwbaarheid, interobserver betrouwbaarheid
→ 2 verschillende onderzoekers: onderzoeker 1 analyseert en de 2 de onderzoeker analyseert ook en
dan het resultaat vergelijken
Percentage van overeenkomst
Bij beide types van betrouwbaarheid
I= a/a+d (x100)
I: index
a: aantal gelijke beoordelingen
d: aantal verschillende beoordelingen
100% betrouwbaarheid is moeilijk te realiseren (bij het een makkelijker dan bij het ander)
Het moet zo hoog mogelijk zijn
Betrouwbaarheidstoetsen
Test-retest methode
= hertestmethode
Gevaar: er kan iets optreden wat we het hertesteffect noemen
Bij het afnemen van de 2de test nog een aantal dingen herinneren van de vorige (1 ste) test
o Bv: startdictee, week nadien nog eens doen → hertesteffect optreden
3
1| Onderzoek
Belang van onderzoek
= werkwijze voor verzamelen van informatie ivm de situatie
Richtsnoer voor formuleren van doelen
Zonder goed onderzoek is doelgerichte interventie onmogelijk
Doelen
Onderzoeken wegens verschillende redenen
Om een diagnose te stellen
o Welk soort van behandeling of welk type behandeling voor een cliënt
o Komt de persoon in aanmerking en heeft die nood aan therapie?
Onderzoek doen om iets te meten / kwantificering
o Nagaan aan de hand van een onderzoek of de behandeling effect heeft
o Heeft het nut en is er vooruit gang?
o Moet de behandeling aangepast worden?
Andere redenen
o Of cliënt in aanmerking komt om kosten terugbetaald te worden
o Soms heb je dat nodig om dat te blijven bewijzen
Onderzoek in therapieproces
Aanvangsonderzoek
o Probleem vastleggen
o Planning van interventie
Tijdens de interventie
o Opvolgen van interventie
o Nagaan in welke mate korte termijn doelen verwezenlijkt zijn
o Nieuwe korte termijn doelen vastleggen
o Nagaan of het langetermijndoel nog steeds van toepassing is
Slotonderzoek
o Opvolgen van langetermijndoelen
o Suggesties voor verdere revalidatie
1
,2| Belangrijke begrippen
Betrouwbaarheid en validiteit zijn essentieel als we een onderzoek goed willen doen
Betrouwbaarheid (WO-L p103-104)
3 belangrijke vragen
Is het resultaat niet te wijten aan toeval?
Is het resultaat niet afhankelijk van omstandigheden, testleider?
Krijgen we hetzelfde resultaat bij verschillende afnames?
Bij ‘nee, nee, ja’ is het een betrouwbaar onderzoek
Voorbeeld:
Meneer x volgt een dieet en wil weten of zijn dieet effect heeft en weegt zich dagelijks op de
weegschaal
o Met zekerheid moet kunnen zeggen door vaak te meten dat hij is afgevallen en dat
het niet toeval is → betrouwbare meting
o Vast moment wegen: niet de ene dag voor het ontbijt en de andere erna,
toiletbezoek,… → niet betrouwbaar
o Meting betrouwbaarder maken door protocol uit te schrijven van wanneer, hoe en
waar hij zich weegt: voor hij alles doet → betrouwbaarder resultaat
o Waardoor de daling wel door het gewicht zou zijn en niet door kleren
Onderzoek maakt bandopname van een stotteraar (gesprek) en analyseert het
o 1ste analyse: 15x woordherhaling 17x woorddeelherhaling, 16x blokkering, 6x
verlenging
o 2de analyse: zelfde resultaat
Mogelijk bronnen van onbetrouwbaarheid
Complexiteit van het onderzochte probleem
Inadequate definitie van de begrippen
o Bij analyse moet er duidelijk zijn wat de definitie is → bv: wat is een woordherhaling
of een blokkering: juiste definitie van een begrip
Beoordelaars niet op 1 lijn krijgen
o Beoordelaars moeten dezelfde manier van werken en definitie hebben (bv: bij
onderzoek van bandje)
Diverse toevallige factoren
Hoe een aanvaardbaar betrouwbaarheidsniveau
bereiken
Helder en concreet definiëren van begrippen
Trainen van beoordelaars (WO-L:p.94)
o Duur van de observatie en hoe er moet ‘gescoord’ worden
o Situatie en omgeving van de observatie/registratie
o Data eerst kort trainen voor observeren/scoren/registeren
o Duidelijke instructie geven (en op papier zetten)
Verrichten van vooronderzoek
2
, Types van betrouwbaarheid
Intrascorersbetrouwbaarheid
= intra- individuele betrouwbaarheid, intra-observer betrouwbaarheid
→ 1 onderzoeker: je gaat de 1ste keer de analyse doen en de 2 de keer ook zelf en dan vergelijken
Interscorersbetrouwbaarheid
= inter-individuele betrouwbaarheid, interobserver betrouwbaarheid
→ 2 verschillende onderzoekers: onderzoeker 1 analyseert en de 2 de onderzoeker analyseert ook en
dan het resultaat vergelijken
Percentage van overeenkomst
Bij beide types van betrouwbaarheid
I= a/a+d (x100)
I: index
a: aantal gelijke beoordelingen
d: aantal verschillende beoordelingen
100% betrouwbaarheid is moeilijk te realiseren (bij het een makkelijker dan bij het ander)
Het moet zo hoog mogelijk zijn
Betrouwbaarheidstoetsen
Test-retest methode
= hertestmethode
Gevaar: er kan iets optreden wat we het hertesteffect noemen
Bij het afnemen van de 2de test nog een aantal dingen herinneren van de vorige (1 ste) test
o Bv: startdictee, week nadien nog eens doen → hertesteffect optreden
3