Hoofdstuk 1: Wat is intelligentie?
Opvattingen over intelligentie = de naïeve psychologische theorie
Onderzoek van Sternberg
Wat denkt een leek over intelligentie?
- Leken hebben impliciete (onbewust) theorie over intelligentie
- Inschatting van intelligentie bij anderen correleert hoog met resultaten uit
intelligentietesten (bij iemand die je goed kent)
- Leken breder en diffuser beeld van intelligentie dan de wetenschap:
• Ook alledaags functioneren in rekening genomen
• Common sence idee van intelligentie (leken: algemeen beeld, psychologen
bestuderen het anders)
Taak van psychologie als wetenschap
- Begrip intelligentie afbakenen
- Door middel van onderzoek: definitie formuleren
Wetenschappelijke opvattingen onderscheiden zich van ‘leken’-opvattingen:
- > zo zuiver mogelijk gedefinieerde en meetbare concepten.
- > theorieën, hypothesen en verwachtingen over psychologische verschijnselen worden
getoetst
Wetenschappelijke afbakening van het begrip
Intelligentie in onderzoek
= afgebakend tot academische intelligentie (presteren met betrekking tot schoolse
activiteiten)
Definitie van Boring uit 1923: "Intelligentie is dat wat de test meet" (slechte definitie)
-> definitie = circulair
(de twee elementen van de definitie hebben elkaar nodig om een verklaring te geven)
-> zeer veel gebruikt
-> eerder verwarrend dan helder, meer kwaad dan goed gedaan
Niveaus van intelligentie: A, B en C
(Ordenen van definities)
Niveau A:
- Aangeboren potentieel tot intelligent handelen
- Ligt vast in de fysieke hersenstructuren
- Cultuuronafhankelijk en stabiel
- Niet meetbaar en is daarom een theoretische veronderstelling
,Intelligentie B:
- Interactie tussen genetische aanleg en omgevingsinvloeden/leerervaringen
- Mede afhankelijk van:
opvoeding
leefomstandigheden voor en na de geboorte (voeding, culturele gewoonten)
onderwijs
levenservaringen
- Cultuurgebonden en veranderlijk
- Meetbaar
Intelligentie C:
- wat een intelligentietest meet
- de gemeten intelligentie van een persoon
- vastgebonden aan meetinstrument, slechts benadering van intelligentie B
-> meeste wetenschappelijke definities van intelligentie: op niveau van intelligentie B en C
Niet 1 definitie maar heel veel verschillende!
,Hoofdstuk 2: Geschiedenis en theorieën rond intelligentie
Geschiedenis van intelligentie
- Wetenschappers bestuderen al meer dan honderd jaar het fenomeen van
intelligentie
- Veel verschillende soorten onderzoek
- Veel verschillende theorieën
-> Belangrijk om deze achtergrond mee te hebben om de huidige modellen te begrijpen
2 stromingen
1. PSYCHOMETRISCHE THEORIEËN EN INTELLIGENTIEMODELLEN
Gebaseerd op statistische analyses
Uit statistisch onderzoek: één factor intelligentie of meerdere factoren die samen
intelligentie vormen
Spearman
- Pionier op vlak van factoranalyse (rangcorrelatiecoëfficiënt)
- Eerste onderzoekers: constructie theoretisch intelligentiemodel
- Positieve correlaties tussen enerzijds eenvoudige sensorische en motorische proefjes
en anderzijds schoolse prestaties
Theorie van Spearman
Intelligentie = ‘g’ of general intelligence (er is maar 1 factor die intelligentie bepaald)
g-factor = latente variabele (enige oorzaak) die de correlaties veroorzaakt tussen de
verschillende maten van cognitieve vaardigheid
= gemeenschappelijke variantie tussen de diverse maten van cognitieve vaardigheid
(wat de verschillende maten van cognitieve vaardigheid gemeenschappelijk hebben)
single factor model of intelligence
s-factoren = naast g-factor ook meer specifieke factoren
- g = algemene mentale activiteit
- s = mentale activiteiten die specifiek voor één taak nodig zijn (rest van de variantie)
Ook tweefactorentheorie van intelligentie genoemd
Intelligentietest
Eerste intelligentietesten gebaseerd op idee: intelligentie = 1 factor
Kritiek op spearman
Eén algemene intelligentiefactor en daarnaast vele kleine, specifieke factoren = veel te
eenvoudig volgens andere onderzoekers
Verschillende onderzoekers:
- Geen: één algemene intelligentiefactor
- Wel: verschillende intelligentiefactoren zijn die slechts in beperkte mate overlappen
Geen enkelvoudige maar meervoudige theorie van intelligentie
, Thurstone: Primary Mental Abilities
- Ontwikkelt de statistische techniek van de multiple factoranalyse
- Op basis van factoranalytisch onderzoek op een uitvoerige batterij van 57 tests
Theorie
Thurstone zocht naar meerdere onafhankelijke factoren met een eenvoudige structuur
-> volgens Thurstone bestaat “g” niet
= statistisch artefact
Later compromis: een algemene vorm van intelligentie + zeven specifieke subvormen
Zeven onafhankelijke factoren = Primary mental abilities
1. verbaal inzicht/ begrip -> het begrijpen van woorden en geschreven tekst
2. woordvlotheid -> snel bedenken van woorden die voldoen aan een bepaald criterium
3. rekenkundig inzicht/cijferen -> snel en accuraat eenvoudig rekenwerk kunnen uitvoeren
4. visueel-ruimtelijk inzicht -> in gedachten objecten kunnen manipuleren
5. associatief geheugen -> aangeboden informatie kunnen onthouden
6. waarnemingssnelheid -> de snelheid waarmee informatie wordt waargenomen en
verwerkt
7. logisch redeneren -> logisch kunnen nadenken
Kritiek
Spearman (1939) behoudt een extreme positie: er is één factor
Verder bouwen op theorie van Thurstone
- meeste psychologen volgen Thurstone
- begrijpbare factoren = link naar de praktijk
- door andere onderzoekers zelfs sterk uitgebreid
- primaire factoren uitgesplitst in deelfactoren
Guilford: matrixmodel
- wijst idee van één algemene intelligentiefactor af, bouwt verder op werk van
Thurstone
- structure of intellect-theorie = classificatiesysteem met alle door hem bedachte
intelligentiefactoren onder
Theorie
Elke factor wordt gekenmerkt door drie dimensies
1. de operatie: taak oplossen: (verastandelijke verrichtingen)
- Cognitie: herkennen, ontdekken, begrijpen
- Geheugen
2. de inhoud: de aard van het materiaal waarop de taak betrekking heeft:
- Figuraal materiaal: geometrische figuren
- Semantisch materiaal: woorden, zinnen
- Gedrag: eigen gedrag en gedrag van andere mensen