Bijzondere machtenwetten
Principe WM heeft volheid van wetgevende bevoegdheid d.w.z. dat wetgever in alle aangelegenheden die tot zijn
bevoegdheid behoren normerend kan optreden wanneer en in de mate dat hij dat zelf nodig vindt. De WM heeft dus
zelf geen machtiging nodig om normerend te kunnen optreden.
Dit is in tegenstelling met de UM. Deze beschikt alleen over toegewezen bevoegdheden (art. 105 GW). Enerzijds de
bevoegdheden die de GW zelf aan de koning toekent, en anderzijds ook machten die via bijzondere wetten aan de
koning verleend kunnen worden. Art. 105 GW laat het dus aan de wetgever toe om de macht van de koning uit te
breiden tot aangelegenheden die niet door de GW aan de koning zijn uitdrukkelijk toevertrouwt en die in beginsel
alleen door de wetgever kunnen worden geregeld. Niet bijzondere meerderheidswetten art. 4 laatste lid GW, wel
om een bijzondere, nauwkeurig omschreven macht gaan.
Traditioneel 4 types van wetten onderscheiden op grond van art. 105 GW:
1. Kaderwetten
De wetgever schept het kader waarbinnen de koning kan optreden. Wetgever gaat zelf essentiële beginselen van de
regelgeving formuleren en verdere uitvoering overlaten aan de koning. Grens met uitvoeringsbevoegdheid die de
koning ontleent aan art. 108 GW zeer dun.
2. Opdrachtwetten
Wetgever gaat zelf niet de algemene beginselen van de regelgeving bepalen, maar ook die macht opdragen aan de
koning. Als deze opdracht die op deze manier wordt verleend zeer specifiek en betrekking op ene zeer nauwkeurig
omschreven beleidsdomein.
3. Bijzondere machtenwetten
Wetgever gaat zelf niet de algemene beginselen van de regelgeving bepalen, maar ook die macht opdragen aan de
koning. Opdracht zeer algemene omschreven en betrekking op verschillende of ruimere beleidsdomeinen.
Ruime discretionaire macht: zelf kiezen welke maatregelen hij nuttig acht om aan die algemeen geformuleerde
doelstelling te voldoen.
Voorwaarden waaraan dergelijke bijzondere volmachtswetten moeten voldoen:
Er moet sprake zijn van bepaalde feitelijke omstandigheden die als uitzonderlijke of crisisomstandigheden
kunnen worden bestempeld. Er moet m.a.w. een crisis zijn en die moet van aard zijn dat het uitoefenen van
de machten volgens de regels die in de GW zijn vastgelegd, dat het volgen van de normale parlementaire
wetgevingsprocedures te lang duurt en strijdig is met het openbaar belang, moeten met spoed kunnen
worden genoemd.
Kunnen maar worden toegekend voor een beperkte periode.
De toegekende machten moeten nauwkeurig omschreven zijn zowel wat betreft de doeleinden en
oogmerken als de aangelegden waarin de maatregelen getroffen kunnen worden en de strekking ervan.
Wetgever moet internationale normen en grondwettelijke bevoegdheidsregels eerbieden bij toekenning.
Wetgever voorziet in bijkomende garanties omwille van de aantasting van het democratische gehalte.
4. Buitengewone machtenwetten
Komen alleen in oorlogsomstandigheden voor.
Principe WM heeft volheid van wetgevende bevoegdheid d.w.z. dat wetgever in alle aangelegenheden die tot zijn
bevoegdheid behoren normerend kan optreden wanneer en in de mate dat hij dat zelf nodig vindt. De WM heeft dus
zelf geen machtiging nodig om normerend te kunnen optreden.
Dit is in tegenstelling met de UM. Deze beschikt alleen over toegewezen bevoegdheden (art. 105 GW). Enerzijds de
bevoegdheden die de GW zelf aan de koning toekent, en anderzijds ook machten die via bijzondere wetten aan de
koning verleend kunnen worden. Art. 105 GW laat het dus aan de wetgever toe om de macht van de koning uit te
breiden tot aangelegenheden die niet door de GW aan de koning zijn uitdrukkelijk toevertrouwt en die in beginsel
alleen door de wetgever kunnen worden geregeld. Niet bijzondere meerderheidswetten art. 4 laatste lid GW, wel
om een bijzondere, nauwkeurig omschreven macht gaan.
Traditioneel 4 types van wetten onderscheiden op grond van art. 105 GW:
1. Kaderwetten
De wetgever schept het kader waarbinnen de koning kan optreden. Wetgever gaat zelf essentiële beginselen van de
regelgeving formuleren en verdere uitvoering overlaten aan de koning. Grens met uitvoeringsbevoegdheid die de
koning ontleent aan art. 108 GW zeer dun.
2. Opdrachtwetten
Wetgever gaat zelf niet de algemene beginselen van de regelgeving bepalen, maar ook die macht opdragen aan de
koning. Als deze opdracht die op deze manier wordt verleend zeer specifiek en betrekking op ene zeer nauwkeurig
omschreven beleidsdomein.
3. Bijzondere machtenwetten
Wetgever gaat zelf niet de algemene beginselen van de regelgeving bepalen, maar ook die macht opdragen aan de
koning. Opdracht zeer algemene omschreven en betrekking op verschillende of ruimere beleidsdomeinen.
Ruime discretionaire macht: zelf kiezen welke maatregelen hij nuttig acht om aan die algemeen geformuleerde
doelstelling te voldoen.
Voorwaarden waaraan dergelijke bijzondere volmachtswetten moeten voldoen:
Er moet sprake zijn van bepaalde feitelijke omstandigheden die als uitzonderlijke of crisisomstandigheden
kunnen worden bestempeld. Er moet m.a.w. een crisis zijn en die moet van aard zijn dat het uitoefenen van
de machten volgens de regels die in de GW zijn vastgelegd, dat het volgen van de normale parlementaire
wetgevingsprocedures te lang duurt en strijdig is met het openbaar belang, moeten met spoed kunnen
worden genoemd.
Kunnen maar worden toegekend voor een beperkte periode.
De toegekende machten moeten nauwkeurig omschreven zijn zowel wat betreft de doeleinden en
oogmerken als de aangelegden waarin de maatregelen getroffen kunnen worden en de strekking ervan.
Wetgever moet internationale normen en grondwettelijke bevoegdheidsregels eerbieden bij toekenning.
Wetgever voorziet in bijkomende garanties omwille van de aantasting van het democratische gehalte.
4. Buitengewone machtenwetten
Komen alleen in oorlogsomstandigheden voor.