Cognitieve ontwikkeling
Inhoud
Verschillende theorieën/ kaders .........................................................................................................1
Piaget .............................................................................................................................................2
Basisbegrippen............................................................................................................................2
Basisprincipes .............................................................................................................................2
Uitgangspunten...........................................................................................................................3
Ontwikkelingsstadia ....................................................................................................................3
Sensori-motorische fase (0-2 jaar) ...........................................................................................4
Pre-operationeel stadium (2-7 jaar) .........................................................................................4
Concreet-operationeel stadium (7-12 jaar) ..............................................................................6
Formeel operationeel stadium (12-15 jaar)..............................................................................6
Schaie .............................................................................................................................................7
Labouvie-vief ..................................................................................................................................8
Perry ...............................................................................................................................................8
Intelligentie ........................................................................................................................................8
Sternberg ........................................................................................................................................8
Meten van intelligentie .......................................................................................................................8
Volwassenheid....................................................................................................................................9
Cognitieve ontwikkeling ..................................................................................................................9
Ouderdom ..........................................................................................................................................9
Cognitieve ontwikkeling ................................................................................................................ 10
Cognitieve ontwikkeling is een heel breed begrip en dat veel verschillende perspectieven heeft.
Algemene definitie:
- Het is de ontwikkeling van het denken, redeneren en begrijpen
Kinderen maken op heel jonge leeftijd een koppeling tussen waarnemingen (associaties)
Verband kunnen leggen dat een groter glas meer water bevat (Mentale voorstellingen)
Waarom-vragen
- De cognitieve ontwikkeling blijft doorgaan.
Verschillende theorieën/ kaders
1. Piaget
- Stadia theorie. Je moet het ene stadium voltooit hebben om door te kunnen gaan naar de
volgende (kwalitatief)
- Cognitieve ontwikkeling is een continue proces (nature)
, 2. Vygotsky
- Cognitieve ontwikkeling in interactie met de omgeving/ cultuur (nurture)
3. Informatieverwerkingstheorie
- Hoe een computer werkt wordt vergeleken met hoe het bij ons gaat.
- Zintuigen zijn een heel belangrijke 1ste register waar informatie binnenkomt.
- Heel sterk verbonden met ons geheugen
Piaget
Hij leefde in 1896-1980. Hij ziet de denkontwikkeling als een biologisch proces. Hij onderzocht waar
kinderen hun kennis vandaan haalden. Hij was ontwikkelingspsycholoog dus hij ging gaan kijken wat
er gemeenschappelijk is tussen het denken van een kind en een ouder kind. Heeft de morele
ontwikkeling ook onderzocht.
Piaget heeft een verklaringsmodel gemaakt waar hij een aantal belangrijke begrippen heeft
geïntegreerd. Hij keek ook hoe kinderen zich in het algemeen ging ontwikkelen.
De basis van zijn theorie is het concrete handelen en de ervaring dat het kind opdoet.
Basisbegrippen
1. Cognitieve schema
= dit is de structuur van ons denken. Dit bepaalt hoe we de wereld gaan bekijken en
beoordelen. Dit zijn strategieën waarmee we de buitenwereld proberen te begrijpen. Je hebt
2 soorten schema’s:
1.1. Actie of gedragsschema’s
Schema’s die verklaren waarom we dingen doen. Hoe gaan we wandelen? Hoe gaan we
auto rijden?
1.2. Operationele of mentale schema’s
Dit zijn onze denkschema’s. Dit is niet altijd zichtbaar en hebben we in ons hoofd.
2. Equilibratiemodel
Als het proces van assimilatie en accommodatie gelukt is gaan we een nieuw evenwicht
bereiken. Dit is een zelfregulerend proces. Mensen willen zich steeds beter aanpassen aan
nieuwe situaties. Adaptatie: ontwikkeling. We komen iets tegen in de werkelijkheid wordt ons
evenwicht verstoort en gaan we zoeken naar manieren om ons evenwicht te herstellen.
3. Organisatie
Dit is het verbinden van verschillende schema’s tot complexere structuren. Bv. telschema en
schema van groot en klein combineren dan komt er een rekenschema in de plaats.
4. Adaptatie
Assimilatie, accommodatie en organisatie gaan goed samen waardoor je een steeds hogere
vorm van evenwicht bereikt. Dit wordt ook wel equilibrium genoemd. Bv. een baby voor de
eerste keer vaste voeding eten heeft een heel goed zuigschema. Als deze voor de eerste keer
vaste voeding krijgt gaat het kind zijn zuigschema gebruiken (assimilatie). Dit werkt niet dus
het kind zet zijn zuigschema om in een hapschema (accommodatie). Het kind gaat de schema’s
van happen en slikken combineren (organisatie).
Basisprincipes
1. Assimilatie
Een bestaat schema gaan toepassen in een nieuwe situatie. We gaan nieuwe informatie
toevoegen in ons bestaat schema. Bv. je hebt als kind een schema van hond, je ziet de kat van
de buren en zegt hond mama zegt nee kat. Je leert dat niet alles op 4 poten een hond is.
Inhoud
Verschillende theorieën/ kaders .........................................................................................................1
Piaget .............................................................................................................................................2
Basisbegrippen............................................................................................................................2
Basisprincipes .............................................................................................................................2
Uitgangspunten...........................................................................................................................3
Ontwikkelingsstadia ....................................................................................................................3
Sensori-motorische fase (0-2 jaar) ...........................................................................................4
Pre-operationeel stadium (2-7 jaar) .........................................................................................4
Concreet-operationeel stadium (7-12 jaar) ..............................................................................6
Formeel operationeel stadium (12-15 jaar)..............................................................................6
Schaie .............................................................................................................................................7
Labouvie-vief ..................................................................................................................................8
Perry ...............................................................................................................................................8
Intelligentie ........................................................................................................................................8
Sternberg ........................................................................................................................................8
Meten van intelligentie .......................................................................................................................8
Volwassenheid....................................................................................................................................9
Cognitieve ontwikkeling ..................................................................................................................9
Ouderdom ..........................................................................................................................................9
Cognitieve ontwikkeling ................................................................................................................ 10
Cognitieve ontwikkeling is een heel breed begrip en dat veel verschillende perspectieven heeft.
Algemene definitie:
- Het is de ontwikkeling van het denken, redeneren en begrijpen
Kinderen maken op heel jonge leeftijd een koppeling tussen waarnemingen (associaties)
Verband kunnen leggen dat een groter glas meer water bevat (Mentale voorstellingen)
Waarom-vragen
- De cognitieve ontwikkeling blijft doorgaan.
Verschillende theorieën/ kaders
1. Piaget
- Stadia theorie. Je moet het ene stadium voltooit hebben om door te kunnen gaan naar de
volgende (kwalitatief)
- Cognitieve ontwikkeling is een continue proces (nature)
, 2. Vygotsky
- Cognitieve ontwikkeling in interactie met de omgeving/ cultuur (nurture)
3. Informatieverwerkingstheorie
- Hoe een computer werkt wordt vergeleken met hoe het bij ons gaat.
- Zintuigen zijn een heel belangrijke 1ste register waar informatie binnenkomt.
- Heel sterk verbonden met ons geheugen
Piaget
Hij leefde in 1896-1980. Hij ziet de denkontwikkeling als een biologisch proces. Hij onderzocht waar
kinderen hun kennis vandaan haalden. Hij was ontwikkelingspsycholoog dus hij ging gaan kijken wat
er gemeenschappelijk is tussen het denken van een kind en een ouder kind. Heeft de morele
ontwikkeling ook onderzocht.
Piaget heeft een verklaringsmodel gemaakt waar hij een aantal belangrijke begrippen heeft
geïntegreerd. Hij keek ook hoe kinderen zich in het algemeen ging ontwikkelen.
De basis van zijn theorie is het concrete handelen en de ervaring dat het kind opdoet.
Basisbegrippen
1. Cognitieve schema
= dit is de structuur van ons denken. Dit bepaalt hoe we de wereld gaan bekijken en
beoordelen. Dit zijn strategieën waarmee we de buitenwereld proberen te begrijpen. Je hebt
2 soorten schema’s:
1.1. Actie of gedragsschema’s
Schema’s die verklaren waarom we dingen doen. Hoe gaan we wandelen? Hoe gaan we
auto rijden?
1.2. Operationele of mentale schema’s
Dit zijn onze denkschema’s. Dit is niet altijd zichtbaar en hebben we in ons hoofd.
2. Equilibratiemodel
Als het proces van assimilatie en accommodatie gelukt is gaan we een nieuw evenwicht
bereiken. Dit is een zelfregulerend proces. Mensen willen zich steeds beter aanpassen aan
nieuwe situaties. Adaptatie: ontwikkeling. We komen iets tegen in de werkelijkheid wordt ons
evenwicht verstoort en gaan we zoeken naar manieren om ons evenwicht te herstellen.
3. Organisatie
Dit is het verbinden van verschillende schema’s tot complexere structuren. Bv. telschema en
schema van groot en klein combineren dan komt er een rekenschema in de plaats.
4. Adaptatie
Assimilatie, accommodatie en organisatie gaan goed samen waardoor je een steeds hogere
vorm van evenwicht bereikt. Dit wordt ook wel equilibrium genoemd. Bv. een baby voor de
eerste keer vaste voeding eten heeft een heel goed zuigschema. Als deze voor de eerste keer
vaste voeding krijgt gaat het kind zijn zuigschema gebruiken (assimilatie). Dit werkt niet dus
het kind zet zijn zuigschema om in een hapschema (accommodatie). Het kind gaat de schema’s
van happen en slikken combineren (organisatie).
Basisprincipes
1. Assimilatie
Een bestaat schema gaan toepassen in een nieuwe situatie. We gaan nieuwe informatie
toevoegen in ons bestaat schema. Bv. je hebt als kind een schema van hond, je ziet de kat van
de buren en zegt hond mama zegt nee kat. Je leert dat niet alles op 4 poten een hond is.