van colleges over taal.
Hoofdstuk 2 taal
Wat is taal?
Vier domeinen van taal:
Luisteren
Spreken
Lezen
Schrijven
Onderscheid tussen receptieve en productieve processen:
Betekenis geven aan klanken en tekens > receptief (ontvangend)
Zelf klanken en tekens produceren zoals spreken en schrijven > productief.
Geletterdheid
Ontluikende geletterdheid:
Voor kinderen van 0 tot 4 jaar die ontdekken
Beginnende geletterdheid:
Voor kinderen van groep 1,2 & 3 die het schriftelijk leren en de spraak
Gevorderde geletterdheid:
Voor kinderen van groep 4 tot 8. Ze herkennen sneller woorden en lezen
makkelijker.
Functies van taal:
Communiceren
Middel om greep te krijgen op de werkelijkheid
Middel tot expressie
poëtische functie: gedichten, liedjes
Metlinguïstische functie door middel van taal spreken over taal
Cognitieve functie actie>reactie
Bij communicatie is er sprake van:
Zender
Boodschap
Ontvanger
Communicatie vind altijd plaats in een context
Feedback
,Communicatiemodel:
Zakelijk aspect: boodschap altijd een bepaalde inhoud
Expressieve effect: vertelt iets over de persoonlijkheid van de zender
Relationele aspect : geeft meestal aan hoe de zender iets ziet
Appellerende aspect: de zender doet een appel op de ontvanger om
invloed uit te oefenen
Schriftelijk taalgebruik communicatieregels :
Duidelijk
Efficiënt
Gepast
Aantrekkelijk
Correct
Greep op de werkelijkheid
Conceptualiserende functie: Taal word gebruikt als hulpmiddel om gedachten
te ordenen en greep te krijgen op de werkelijkheid. Hoe meer concepten
(beelden, woordenschat) je kent hoe meer je begrijpt.
Ook wel cognitieve functie genoemd. Er zijn drie conceptualiserende of
cognitieve functies: rapporteren, redeneren en projecteren.
Expressiemiddel
Middel om je gevoelens te uiten
Niveaus van taal
Fonologie – regels voor klanken en uitspraak
Morfologie – opbouw van woorden
Syntaxis – opbouw van zinnen
Semantiek – betekenis van de woorden/zinnen
Pragmatiek – gebruiken in de praktijk
Orthografie – de spelling
Fonologie:
Fonemen ( betekenis onderscheidende spraakklanken )
Verschil tussen :
Boom -bom
Pal- bal
Maar ook : klemtoon , intonatie, syllabes (vb: ka-bou-ter )
, Morfologie :
De opbouw van een woord
Morfemen ( betekenis dragende ) stukjes woord
Vrije (tuin) en gebonden morfemen (tuintje)
-en, -s kunnen meervoud aangeven
-t kan 3e persoon enkelvoud aangeven
-tje kan een verkleining aangeven
Syntaxis :
Regels om zinnen te bouwen , de betekenis en structuur geven: de leeuw
bijt de tijger
In het Nederlands staat de persoonsvorm in de hoofdzinnen op de tweede
plek
Semantiek :
Woordbetekenissen eekhoorn-staart- nootje-boom
Betekenissen van zinnen
Pragmatiek :
Taalgebruik ( gekoppeld aan situatie )
Wat is gepast om te zeggen
Orthografie :
Spelling
Afleidingen
Afleidingen zijn woorden die bestaan uit een woord met een affix (aanplaksel)
Het affix kan voor het woord staan dan word het voorvoegsel of Prefix genoemd.
Verkleden, ontmoeten, herleiden, gewennen
Achter het woord (uitgang) suffix
Kunstenaar, lepeltje, scholier, meting
Concreet of abstract:
Bij concrete woorden kun je je zintuigen gebruiken( waar het woord naar
verwijst) te zien, te horen, te proeven of te voelen. Zoals citroen.
Bij abstracte woorden heb je geen directe zintuigelijke ervaring. Je kunt ‘’ haat
‘’ niet ruiken of proeven.