Psychologie
Biologische benadering: gedragsgenetica
Gedragsgenetica= bestudeert de overerving van gedragskenmerken en het aandeel van de
wisselwerking tussen erfelijke – en milieufactoren in de verschillen tussen mensen op vlak van
persoonlijkheid, intelligentie e.d.m.
1. Erfelijkheidshypothese
Erfelijk materiaal is opgeslagen in chromosomen
Chromosomen: bepalen de bouw & werking van elke cel
43 chromosomen
o 23 paar
22 paar autosomen
1 paar geslachtschromosomen
4 verschillende basen
o A: adenine
o G: guanine
o C: cytosine
o T: thynine
Volgorde van basenparen bepaalt de aanmaak van een bepaald aminozuur. De ketens
aminozuren vormen de eiwitten voor ons lichaam. Die eiwitten hebben
o Een structurele-vormgevende functie (bouwstenen van ons lichaam)
o Enzymatische -scheikundige functie (regelen de stofwisseling in ons lichaam)
Erfelijke kenmerken liggen op de chromosomen in de vorm van een gen (= een stuk DNA met
bepaalde erfelijke lichamelijke/ psychische eigenschappen)
o Bestaan uit een opeenvolging van baseparen
Gen
o Locus /vaste plaats gesitueerd
o Allelen / meerdere varianten
Mutatie = beschadiging van een chromosoom
o In gewone cellen: vaak geen probleem
o Meerdere baseparen: ernstig probleem
Niet alle genen komen tot uitdrukking
o Methylgroepen: genen worden hierdoor uitgeschakeld doordat ze deze groep zich
hecht aan een stukje van het DNA
Acetylgroepen: maakt communicatie makkelijker
o Genen zijn niet altijd actief, sommige:
Zijn actief bij de geboorte en vallen daarna stil
Werken in bepaalde omstandigheden
Hele leven actief
o Sommige zijn actief in bepaalde cellen en in andere inactief
, Genotype = alle genen van een persoon samen (niet zichtbaar)
Fenotype= het resultaat van het genotype en milieufactoren (zichtbaar)
Homozygote genen= 2 identieke allelen op de 2 parallelle chromosomen
Heterozygoot= 2 allelen die onderling verschillen
Intermediaire dominantie= twee varianten van een allelenpaar, die een verschillende maar
even sterke invloed uitoefenen op het fenotype
Co-dominatie= er is geen mengvorm, maar de beide allelen manifesteren tegelijkertijd
afzonderlijk
1.1. Eenvoudige mendeliaanse overerving
Enkelvoudige overerving
Biologische benadering: gedragsgenetica
Gedragsgenetica= bestudeert de overerving van gedragskenmerken en het aandeel van de
wisselwerking tussen erfelijke – en milieufactoren in de verschillen tussen mensen op vlak van
persoonlijkheid, intelligentie e.d.m.
1. Erfelijkheidshypothese
Erfelijk materiaal is opgeslagen in chromosomen
Chromosomen: bepalen de bouw & werking van elke cel
43 chromosomen
o 23 paar
22 paar autosomen
1 paar geslachtschromosomen
4 verschillende basen
o A: adenine
o G: guanine
o C: cytosine
o T: thynine
Volgorde van basenparen bepaalt de aanmaak van een bepaald aminozuur. De ketens
aminozuren vormen de eiwitten voor ons lichaam. Die eiwitten hebben
o Een structurele-vormgevende functie (bouwstenen van ons lichaam)
o Enzymatische -scheikundige functie (regelen de stofwisseling in ons lichaam)
Erfelijke kenmerken liggen op de chromosomen in de vorm van een gen (= een stuk DNA met
bepaalde erfelijke lichamelijke/ psychische eigenschappen)
o Bestaan uit een opeenvolging van baseparen
Gen
o Locus /vaste plaats gesitueerd
o Allelen / meerdere varianten
Mutatie = beschadiging van een chromosoom
o In gewone cellen: vaak geen probleem
o Meerdere baseparen: ernstig probleem
Niet alle genen komen tot uitdrukking
o Methylgroepen: genen worden hierdoor uitgeschakeld doordat ze deze groep zich
hecht aan een stukje van het DNA
Acetylgroepen: maakt communicatie makkelijker
o Genen zijn niet altijd actief, sommige:
Zijn actief bij de geboorte en vallen daarna stil
Werken in bepaalde omstandigheden
Hele leven actief
o Sommige zijn actief in bepaalde cellen en in andere inactief
, Genotype = alle genen van een persoon samen (niet zichtbaar)
Fenotype= het resultaat van het genotype en milieufactoren (zichtbaar)
Homozygote genen= 2 identieke allelen op de 2 parallelle chromosomen
Heterozygoot= 2 allelen die onderling verschillen
Intermediaire dominantie= twee varianten van een allelenpaar, die een verschillende maar
even sterke invloed uitoefenen op het fenotype
Co-dominatie= er is geen mengvorm, maar de beide allelen manifesteren tegelijkertijd
afzonderlijk
1.1. Eenvoudige mendeliaanse overerving
Enkelvoudige overerving