MATERIALENKENNIS
4.1.2. Hout: definitie
Hout is duurzaam, heeft goede thermische & akoestische prestaties, heeft goede
esthetische kwaliteit.
De organische hoofdbestanddelen van een boom:
- Cellulose 50%
- Lignien 20%
4.1.3 Anatomische structuur
3 belangrijke functies hout:
- Sterkte aan de stam
- Sap transporteren
- Voedsel & andere bestanddelen opslaan
à Hout opgebouwd in cellen ( type, afmetingen, vorm, aantal en de verdeling zeer
verscheiden) om deze functies te kunnen vervullen
4.1.3.1 Macroscopische structuur
• Concentrische ringen= groeiringen= zichtbaar bij dwarse doorsnede van een
stam
- Groeiringen gemakkelijk onderscheiden:
1. Vroeghout: in voorjaar gevormde hout
2. Laathout: in zomer gevormde hout
, - Centrum (hart) van de stam: wordt ingenomen door het merg.
deed dienst voor het transport en opslag van voedsel tijdens de eerste jaren van
het leven van de boom
- Kernhout:
vormen van ene mechanisch en biologisch weerstand biedend geraamte, soms
een grote natuurlijke weerstand tegen biologische aantastingen.
- Spinthout:
Functie: het ruwe sap(gevormd door: water met in opschorting van minerale
stoffen uit de grond vanuit de grond), tot in de bladeren te vervoeren.
Steeds aan tastbaar, ongeacht de houtsoort
à Eerder bleker van kleur dan het kernhout (onderscheid maken met behulp
van een microscoop of een vergrootglas)
- Cambium:
Teellaag waarin nieuwe houtcellen gevormd worden à verzekert de diktegroei
van de boom
- Schil:
1. Levende laag: de bast à de sappen over de stam verspreid en vervoerd naar
plaatsen waar het de cellen kan voeden of waar het als reservevoedsel kan
worden opgeslagen.
2. Dode laag: de korst
- Korst: gevormd door de afgestorven delen van de bast: beschermt de levende
delen van de boom tegen omgevingsfactoren.
4.1.4 Vlakken en richtingen
Hout bestuderen aan de hand van vlakken & richtingen:
• Axiale richting: draadrichting, langs richting, lengterichting: door of
evenwijdig met de lengteas
• Radiale richting: dwarsrichting, van de omtrek van de stam loodrecht naar
het hart
• Tangentiale richting: raaklijnrichting: loodrecht op de as, gaat er niet
doorheen
• Kopsvlak, ook axiale vlak; staat loodrecht op de as
• Radiaal vlak: door het hart van de stam
• Tangentiaal vlak: evenwijdig aan de as van de stam
2
,4.1.5 Zaagmethoden
• Kwartiers zagen: stam eerst in kwarten zagen (à planken trekken
minder snel krom.)
• Dosse zagen: een boomstam in de lengterichting in plakken zagen
4.1.6.2 Begrip houtvoutgehalte
• Hout zal trachten in evenwicht te zijn met de relatieve luchtvochtigheid van
de omgeving. Als de luchtvochtigheid binnen bepaalde grenzen wordt
gehouden worden maatveranderingen vermeden.
• Houtvochtgehalte wordt uitgedrukt in % en = (mh – mo / mo) x 100
-mh: massa van nat hout
-mo: massa van droog hout
• Vochtgehalte:
Massa water die het hout bevat en wordt uitgedrukt in percentage van de
droge massa (verkrijgt men na voldoende droging) van het hout.
à Vochtgehalte bepalen met elektrische vochtmeter
• Water kan in hout vormen als:
1. Vrij water (in celholten, openingen)
2. Gebonden water (in de celwanden)
3. Spinthout meet water dan kernhout (dichter van structuur, minder en
kleinere holten)
• Luchtvochtigheid invloed op:
-Gewicht
-Afmetingen
- Vochtgehalte van het hout
- Mechanische eigenschappen
- Duurzaamheid
3
, Uitdrogingsproces van hout:
- Vrij water verdampt vrij snel: verloopt continue: bijna geen vrij water meer
aanwezig
- Vezelverzadigingspunt: vochtgehalte van het vrije water is verdwenen en het
gebonden water in de celwanden is enkel nog wat het hout bevat
à belangrijk puntà bij verder vochtverlies uit de celwanden begint krimping op
te treden + fysische en mechanische eigenschappen van het hout veranderen.
à Vezelverzadigingspunt varieert tussen 20% en 36%
- Verder drogen: verlies van gebonden water: gaat door tot het
evenwichtsvochtgehalte bereikt wordt.
- Luchtdroog: als vochtgehalte in het hout in evenwicht is met het
luchtvochtigheid, zodra de luchtvochtigheid veranderd, is het evenwicht
verbroken à opnieuw vocht opnemen of afstaan om nieuw evenwicht te
bereiken.
4.1.6.3 Begrip vezelverzadigingspunt
• Vezelverzadigingspunt: vochtgehalte waarboven het hout niet meer
zwelt of krimpt
• Maatveranderingen van hout: krimp (verlies) & zwelling (opname) water
à Houtvochtgehalte is lager dan het velverzadigingspunt
• Afmetingen van handelshout: gegeven voor nat hout
4.1.6.4 Drogen van hout
Natuurlijke droging is van belang!
• Water aan het hout onttrekken: op energiezuinige manier (traag, minder
goed te controleren, droge periodes: risico op scheuren en
vervormingen)
• Houtvochtpercentage tussen 15 en 20%
• Lager vochtpercentage wil: artificiële droging
à Elke toepassing vereist een verschillend houtvochtigheidsgehalte & hangt af van
omgeving en klimaatomstandigheden.
• Sterk willende houtvochtgehalten (zwel en krimp van hout)
Resulteert in:
§ Scheuren van hout
§ Klemmende en draaiende delen
§ Sneller barsten
• Houtvochtgehalte afstemmen op de omgeving
à Te hoog vochtgehalte (meer dan 20%) à vergroot kans op
schimmelvorming
4
4.1.2. Hout: definitie
Hout is duurzaam, heeft goede thermische & akoestische prestaties, heeft goede
esthetische kwaliteit.
De organische hoofdbestanddelen van een boom:
- Cellulose 50%
- Lignien 20%
4.1.3 Anatomische structuur
3 belangrijke functies hout:
- Sterkte aan de stam
- Sap transporteren
- Voedsel & andere bestanddelen opslaan
à Hout opgebouwd in cellen ( type, afmetingen, vorm, aantal en de verdeling zeer
verscheiden) om deze functies te kunnen vervullen
4.1.3.1 Macroscopische structuur
• Concentrische ringen= groeiringen= zichtbaar bij dwarse doorsnede van een
stam
- Groeiringen gemakkelijk onderscheiden:
1. Vroeghout: in voorjaar gevormde hout
2. Laathout: in zomer gevormde hout
, - Centrum (hart) van de stam: wordt ingenomen door het merg.
deed dienst voor het transport en opslag van voedsel tijdens de eerste jaren van
het leven van de boom
- Kernhout:
vormen van ene mechanisch en biologisch weerstand biedend geraamte, soms
een grote natuurlijke weerstand tegen biologische aantastingen.
- Spinthout:
Functie: het ruwe sap(gevormd door: water met in opschorting van minerale
stoffen uit de grond vanuit de grond), tot in de bladeren te vervoeren.
Steeds aan tastbaar, ongeacht de houtsoort
à Eerder bleker van kleur dan het kernhout (onderscheid maken met behulp
van een microscoop of een vergrootglas)
- Cambium:
Teellaag waarin nieuwe houtcellen gevormd worden à verzekert de diktegroei
van de boom
- Schil:
1. Levende laag: de bast à de sappen over de stam verspreid en vervoerd naar
plaatsen waar het de cellen kan voeden of waar het als reservevoedsel kan
worden opgeslagen.
2. Dode laag: de korst
- Korst: gevormd door de afgestorven delen van de bast: beschermt de levende
delen van de boom tegen omgevingsfactoren.
4.1.4 Vlakken en richtingen
Hout bestuderen aan de hand van vlakken & richtingen:
• Axiale richting: draadrichting, langs richting, lengterichting: door of
evenwijdig met de lengteas
• Radiale richting: dwarsrichting, van de omtrek van de stam loodrecht naar
het hart
• Tangentiale richting: raaklijnrichting: loodrecht op de as, gaat er niet
doorheen
• Kopsvlak, ook axiale vlak; staat loodrecht op de as
• Radiaal vlak: door het hart van de stam
• Tangentiaal vlak: evenwijdig aan de as van de stam
2
,4.1.5 Zaagmethoden
• Kwartiers zagen: stam eerst in kwarten zagen (à planken trekken
minder snel krom.)
• Dosse zagen: een boomstam in de lengterichting in plakken zagen
4.1.6.2 Begrip houtvoutgehalte
• Hout zal trachten in evenwicht te zijn met de relatieve luchtvochtigheid van
de omgeving. Als de luchtvochtigheid binnen bepaalde grenzen wordt
gehouden worden maatveranderingen vermeden.
• Houtvochtgehalte wordt uitgedrukt in % en = (mh – mo / mo) x 100
-mh: massa van nat hout
-mo: massa van droog hout
• Vochtgehalte:
Massa water die het hout bevat en wordt uitgedrukt in percentage van de
droge massa (verkrijgt men na voldoende droging) van het hout.
à Vochtgehalte bepalen met elektrische vochtmeter
• Water kan in hout vormen als:
1. Vrij water (in celholten, openingen)
2. Gebonden water (in de celwanden)
3. Spinthout meet water dan kernhout (dichter van structuur, minder en
kleinere holten)
• Luchtvochtigheid invloed op:
-Gewicht
-Afmetingen
- Vochtgehalte van het hout
- Mechanische eigenschappen
- Duurzaamheid
3
, Uitdrogingsproces van hout:
- Vrij water verdampt vrij snel: verloopt continue: bijna geen vrij water meer
aanwezig
- Vezelverzadigingspunt: vochtgehalte van het vrije water is verdwenen en het
gebonden water in de celwanden is enkel nog wat het hout bevat
à belangrijk puntà bij verder vochtverlies uit de celwanden begint krimping op
te treden + fysische en mechanische eigenschappen van het hout veranderen.
à Vezelverzadigingspunt varieert tussen 20% en 36%
- Verder drogen: verlies van gebonden water: gaat door tot het
evenwichtsvochtgehalte bereikt wordt.
- Luchtdroog: als vochtgehalte in het hout in evenwicht is met het
luchtvochtigheid, zodra de luchtvochtigheid veranderd, is het evenwicht
verbroken à opnieuw vocht opnemen of afstaan om nieuw evenwicht te
bereiken.
4.1.6.3 Begrip vezelverzadigingspunt
• Vezelverzadigingspunt: vochtgehalte waarboven het hout niet meer
zwelt of krimpt
• Maatveranderingen van hout: krimp (verlies) & zwelling (opname) water
à Houtvochtgehalte is lager dan het velverzadigingspunt
• Afmetingen van handelshout: gegeven voor nat hout
4.1.6.4 Drogen van hout
Natuurlijke droging is van belang!
• Water aan het hout onttrekken: op energiezuinige manier (traag, minder
goed te controleren, droge periodes: risico op scheuren en
vervormingen)
• Houtvochtpercentage tussen 15 en 20%
• Lager vochtpercentage wil: artificiële droging
à Elke toepassing vereist een verschillend houtvochtigheidsgehalte & hangt af van
omgeving en klimaatomstandigheden.
• Sterk willende houtvochtgehalten (zwel en krimp van hout)
Resulteert in:
§ Scheuren van hout
§ Klemmende en draaiende delen
§ Sneller barsten
• Houtvochtgehalte afstemmen op de omgeving
à Te hoog vochtgehalte (meer dan 20%) à vergroot kans op
schimmelvorming
4