Deel 1: Erfelijkheid
1 De erfelijke code
1.1 Inleiding
De mens:
Mens: ontstaat uit 1 cel, de door zaadcel bevruchte eicel → zygote. Die groeit uit tot embryo, foetus,
baby,… in het begin zijn alle cellen gelijk, later krijgen ze geleidelijk een specifieke functie.
Aantal voorbeelden:
Algemeen geldt dat de vorm van de specifieke cel zijn functie volgt. Bv functie zenuwcel = info
doorgeven, vorm ondersteunt dit→ de myeline rond het axon en veel vertakkingen in de synapsen
versnelt het
,Stamcel: cel die zichzelf kan delen en in staat is uit te groeien tot 1 of meer gespecialiseerde celtypes
bv zygote of pre-embryonale cellen die ontstaan uit de eerste deling van de zygote (noemt de
kleivingsdelingen. (Dit zijn tevens ook totipotente stamcellen)
Totipotente stamcellen: de cellen hebben de mogelijkheid om alle soorten cellen van het organisme
aan te maken (hart, lever, zenuw,…)
Pluripotente stamcellen: cellen die verschillende, maar niet alle cellen van een levend organisme
kunnen aanmaken
Multipotente stamcellen: deze kunnen maar een beperkt assortiment van cellen produceren
Stamcellen doneren uit navelstrengbloed kan gebruik worden bij patiënten met leukemie (=
verzamelnaam voor verschillende soorten beenmergkanker), in beenmerg worden nieuwe
bloedcellen aangemaakt, bij leukemie is de aanmaak verstoort (te veel witte bloedcellen die niet rijp
zijn) die zorgen ervoor dat de productie van de normale bloedcellen in het beenmerg in het gedrang
komt. Door het tekort aan rode ontstaat bloedarmoede. Bloed kan niet goed stollen, gevoeliger voor
infecties en kan leiden tot bloedingen. Een patiënt met leukemie kan geholpen worden door een
stamceltransplantatie. (enkel veilig als het weefseltype van de 2 zoveel mogelijk overeen komen) Het
overdragen gebeurd via een infuus. De voorbehandeling (= conditionering) duurt 2 weken en bestaat
uit een combo van zware geneesmiddelen en bestraling. In de weken na de toediening van de
stamcellen is de patiënt heel kwetsbaar door het gebrek aan witte. Daarom wordt hij vaak geïsoleerd
verpleegd.
1.2 De cel
Organellen:
1. Celkernlichaampje (nucleolus)
2. Celkern (of nucleus)
3. Rubosomen
4. Blaasje
5. Ruw endoplasmatisch
reticulum
6. Golgi-apparaat
7. Microtubule
8. Glad endoplasmatisch
reticulum
9. Mitochondriën
10. Peroxisoom
11. Cytoplasma
12. Lysosoom
13. Centriolen
1.2.1 Het celmembraan en het kernmembraan
Celmembraan of celwand: ultradun vliesje dat alle delen van de cel samenhoudt
Kernmembraan: gelijkaardig vliesje, houdt alles binnen de celkern samen
,1.2.2 Het cytoplasma of celsap
Cytoplasma: geleiachtige vloeistof die voor het grootste gedeelte uit water bestaan, ook eiwitten,
suikers, vetten mineralen. De organellen (kleinen orgaantjes) drijven hierin rond, belangrijke zijn
mitochondriën, ribosomen, centriolen,…
1.2.3 De mitochondriën
= de energiecentrales van de cel, ze leveren de energie voor de cel. Cellen die veel energie
verbruiken hebben veel mitochondriën. Hierin zit het mitochondriaal DNA het wordt ongewijzigd
doorgegeven van moeder op alle kinderen (jongens en meisjes)
1.2.4 Ribosomen
Spelen een belangrijke rol bij het omzetten van de erfelijke code, het DNA, naar
lichaamseigenschappen. Ze bestaan uit 2 delen die kunnen loskomen om stroken erfelijk materiaal
door te laten en af te lezen.
1.2.5 De centriolen
Ze zijn belangrijk bij de celdeling
1.2.6 De celkern
Neemt ongeveer een derde van de cel in beslag.
Kernkleurstof of chromatine: fijnkorrelige, donkere vlekken. De chromatinedraadjes zijn de eigenlijke
dragers van ons erfelijk materiaal.
Maw chromatine = DNA = ons erfelijk materiaal
Deel 2: Neurofysiologie
Inleiding
Bio-psycho-socaal model:
• Biologie: bestudeerd binnen vakdomeinen zoals erfelijkheidsleer, anatomie,…
• Psychologie: de studie van de menselijke geest en het gedrag. Algemene psychologie
ontwikkelingspsychologie of persoonlijkheidspsychologie sluiten hierbij aan
• Sociaal: de mens staat niet op zichzelf, maar in relatie tot anderen. De mens is een sociaal
wezen.
Het model benadrukt niet alleen dat de mens een totale entiteit is van biomedische en psycho-
relationele elementen, maar ook dat die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Je moet dus
telkens kijken naar alle 3de facetten om het gedrag te analyseren.
, Agogiek: wetenshap over de oorzaken en gevolgen van menselijk gedrag →veranderings-processen
1 Anatomie en fysiologie
Anatomie: de wetenschap van het bestuderen van inwendige en uitwendige structuren en de fysieke
relatie tussen lichaamsdelen. Er wordt dus bestudeerd hoe het lichaam en alle onderdelen eruit zien
Fysiologie: bestuderen hoe levende organismen functioneren. Maw hoe het lichaam en de
onderdelen ervan werken
1.1 De mens als biologisch organisme
Orgaanstelsels: kan je zien met het blote oog, die elk opgebouwd zijn uit tenminste twee organen bv
bloedvatenstelsel (hart, bloed en de bloedvaten)
Organen: opgebouwd uit twee of meer types weefsels die samenwerken om een specifieke functie
uit te voeren bv skeletspieren die krachten kunnen ontwikkelen
Weefsels: opgebouwd uit cellen van dezelfde soort die zodanig in het weefsel gerangschikt zijn dat
het weefsel zijn functie kan uitvoeren
Cellen: afkomstig van één en dezelfde cel (de bevruchte eicel)
Moleculen: waaruit cellen zijn opgebouwd. Dit is het kleinste niveau van organisatie. Cellen bestaan
vooral uit water
1 De erfelijke code
1.1 Inleiding
De mens:
Mens: ontstaat uit 1 cel, de door zaadcel bevruchte eicel → zygote. Die groeit uit tot embryo, foetus,
baby,… in het begin zijn alle cellen gelijk, later krijgen ze geleidelijk een specifieke functie.
Aantal voorbeelden:
Algemeen geldt dat de vorm van de specifieke cel zijn functie volgt. Bv functie zenuwcel = info
doorgeven, vorm ondersteunt dit→ de myeline rond het axon en veel vertakkingen in de synapsen
versnelt het
,Stamcel: cel die zichzelf kan delen en in staat is uit te groeien tot 1 of meer gespecialiseerde celtypes
bv zygote of pre-embryonale cellen die ontstaan uit de eerste deling van de zygote (noemt de
kleivingsdelingen. (Dit zijn tevens ook totipotente stamcellen)
Totipotente stamcellen: de cellen hebben de mogelijkheid om alle soorten cellen van het organisme
aan te maken (hart, lever, zenuw,…)
Pluripotente stamcellen: cellen die verschillende, maar niet alle cellen van een levend organisme
kunnen aanmaken
Multipotente stamcellen: deze kunnen maar een beperkt assortiment van cellen produceren
Stamcellen doneren uit navelstrengbloed kan gebruik worden bij patiënten met leukemie (=
verzamelnaam voor verschillende soorten beenmergkanker), in beenmerg worden nieuwe
bloedcellen aangemaakt, bij leukemie is de aanmaak verstoort (te veel witte bloedcellen die niet rijp
zijn) die zorgen ervoor dat de productie van de normale bloedcellen in het beenmerg in het gedrang
komt. Door het tekort aan rode ontstaat bloedarmoede. Bloed kan niet goed stollen, gevoeliger voor
infecties en kan leiden tot bloedingen. Een patiënt met leukemie kan geholpen worden door een
stamceltransplantatie. (enkel veilig als het weefseltype van de 2 zoveel mogelijk overeen komen) Het
overdragen gebeurd via een infuus. De voorbehandeling (= conditionering) duurt 2 weken en bestaat
uit een combo van zware geneesmiddelen en bestraling. In de weken na de toediening van de
stamcellen is de patiënt heel kwetsbaar door het gebrek aan witte. Daarom wordt hij vaak geïsoleerd
verpleegd.
1.2 De cel
Organellen:
1. Celkernlichaampje (nucleolus)
2. Celkern (of nucleus)
3. Rubosomen
4. Blaasje
5. Ruw endoplasmatisch
reticulum
6. Golgi-apparaat
7. Microtubule
8. Glad endoplasmatisch
reticulum
9. Mitochondriën
10. Peroxisoom
11. Cytoplasma
12. Lysosoom
13. Centriolen
1.2.1 Het celmembraan en het kernmembraan
Celmembraan of celwand: ultradun vliesje dat alle delen van de cel samenhoudt
Kernmembraan: gelijkaardig vliesje, houdt alles binnen de celkern samen
,1.2.2 Het cytoplasma of celsap
Cytoplasma: geleiachtige vloeistof die voor het grootste gedeelte uit water bestaan, ook eiwitten,
suikers, vetten mineralen. De organellen (kleinen orgaantjes) drijven hierin rond, belangrijke zijn
mitochondriën, ribosomen, centriolen,…
1.2.3 De mitochondriën
= de energiecentrales van de cel, ze leveren de energie voor de cel. Cellen die veel energie
verbruiken hebben veel mitochondriën. Hierin zit het mitochondriaal DNA het wordt ongewijzigd
doorgegeven van moeder op alle kinderen (jongens en meisjes)
1.2.4 Ribosomen
Spelen een belangrijke rol bij het omzetten van de erfelijke code, het DNA, naar
lichaamseigenschappen. Ze bestaan uit 2 delen die kunnen loskomen om stroken erfelijk materiaal
door te laten en af te lezen.
1.2.5 De centriolen
Ze zijn belangrijk bij de celdeling
1.2.6 De celkern
Neemt ongeveer een derde van de cel in beslag.
Kernkleurstof of chromatine: fijnkorrelige, donkere vlekken. De chromatinedraadjes zijn de eigenlijke
dragers van ons erfelijk materiaal.
Maw chromatine = DNA = ons erfelijk materiaal
Deel 2: Neurofysiologie
Inleiding
Bio-psycho-socaal model:
• Biologie: bestudeerd binnen vakdomeinen zoals erfelijkheidsleer, anatomie,…
• Psychologie: de studie van de menselijke geest en het gedrag. Algemene psychologie
ontwikkelingspsychologie of persoonlijkheidspsychologie sluiten hierbij aan
• Sociaal: de mens staat niet op zichzelf, maar in relatie tot anderen. De mens is een sociaal
wezen.
Het model benadrukt niet alleen dat de mens een totale entiteit is van biomedische en psycho-
relationele elementen, maar ook dat die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Je moet dus
telkens kijken naar alle 3de facetten om het gedrag te analyseren.
, Agogiek: wetenshap over de oorzaken en gevolgen van menselijk gedrag →veranderings-processen
1 Anatomie en fysiologie
Anatomie: de wetenschap van het bestuderen van inwendige en uitwendige structuren en de fysieke
relatie tussen lichaamsdelen. Er wordt dus bestudeerd hoe het lichaam en alle onderdelen eruit zien
Fysiologie: bestuderen hoe levende organismen functioneren. Maw hoe het lichaam en de
onderdelen ervan werken
1.1 De mens als biologisch organisme
Orgaanstelsels: kan je zien met het blote oog, die elk opgebouwd zijn uit tenminste twee organen bv
bloedvatenstelsel (hart, bloed en de bloedvaten)
Organen: opgebouwd uit twee of meer types weefsels die samenwerken om een specifieke functie
uit te voeren bv skeletspieren die krachten kunnen ontwikkelen
Weefsels: opgebouwd uit cellen van dezelfde soort die zodanig in het weefsel gerangschikt zijn dat
het weefsel zijn functie kan uitvoeren
Cellen: afkomstig van één en dezelfde cel (de bevruchte eicel)
Moleculen: waaruit cellen zijn opgebouwd. Dit is het kleinste niveau van organisatie. Cellen bestaan
vooral uit water