1. Een sputum is geschikt voor bacteriologisch onderzoek bij aanwezigheid van...
a. Veel mondepiteelcellen
b. Veel polymorfnucleairen
c. Beiden
2. Opportunistische pathogenen zijn pathogenen…
a. Die een infectie kunnen veroorzaken bij verzwakte personen
b. Met verschillende virulentiefactoren
c. Die bij verzwakte en gezonde personen een infectie kunnen veroorzaken
3. Welke Enterobacteriaceae wordt hier voorgesteld?
a. Serratia
b. Shigella
c. Salmonella
4. Asepsis betekent
a. Bacteriën aanwezig in bloed
b. Afname van hemoculturen
c. Ontsmetting van de huid voor afname
5. Selectieve voedingsbodems zijn voedingsbodems
a. Waar bepaalde groepen van bacteriën op groeien en andere niet
b. Waarop een biochemische eigenschap kan afgelezen worden
c. Die algemeen zijn
6. Welke Enterobacteriaceae wordt hier voorgesteld?
a. Yersinia enterocolitica
b. Klebsiella pneumoniae
c. Serratia
,7. Stalen worden in aanrijkingsmedia geënt om
a. Anaërobe bacteriën uit het staal te isoleren
b. De concentratie aan pathogenen te verhogen
c. De commensale flora aan te rijken
8. Omgevingsorganismen die regelmatig bij ons te vinden zijn, maar die geen kans
krijgen om zich te vermenigvuldigen zijn
a. Commensalen
b. Transiënte flora
c. Pathogenen
9. Capnofielen zijn micro-organismen die groeien in...
a. Een verlaagde zuurstofspanning
b. Strikt anaërobe atmosfeer
c. Een verhoogde CO2-concentratie
10. Trage lactose vergisters zijn beta-galactoside permease…
a. Positief en beta-galactosidase negatief
b. Positief en beta-galactosidase positief
c. Negatief en beta-galactosidase positief
11. Een bacterie die ornithine decarboxyleerd, zal de decarboxylase-bouillon…
a. Paars kleuren
b. Geel kleuren
c. Geen kleuromslag geven
12. Oxidatieve suikerafbraak betekent suikerafbraak…
a. In de afwezigheid van zuurstof
b. Enkel in de aanwezigheid van zuurstof
c. In de aan-of afwezigheid van zuurstof
13. Wat zie je
a. Glucose +, lactose-, gas – en H2S –
b. Glucose +, lactose+, gas – en H2S +
c. Glucose +, lactose-, gas – en H2S +
, 14. Welke Enterobacteriaceae wordt hier voorgesteld?
a. Salmonella Typhi
b. Escherichia coli
c. Klebsiella pneumoniae
15. Bacteriën die ureum splitsen, zullen…
a. De pH doen stijgen
b. De pH ongewijzigd laten
c. De pH doen dalen
16. Het aminozuur dat gebuikt wordt in de indol test is…
a. Tryptofaan
b. Arginine
c. Ornithine
17. H2S-productie kan enkel aangetoond worden als er in het medium...
a. Een zwavelbron en tryptofaan aanwezig is
b. Een zwavelbron en ijzer aanwezig is
c. Een zwavelbron en pepton aanwezig is
18. Wat hebben Proteus sp., Morganella morganii, Providencia sp. en Salmonella sp.
gemeenschappelijk?
a. Ze zijn H2S positief
b. Ze zijn lactose negatief
c. Ze zijn Urease positief
19. Waarin verschilt Klebsiella oxytoca van Klebsiella pneumoniae qua biochemische
eigenschappen?
a. Negatieve lactose vergisting
b. Negatieve ornithine decarboxylase test
c. Positief indol test
20. Welke eigenschappen voor Morganella morganii zijn fout...
a. Ornithine decarboxylase positief
b. Indol productie
c. Simmon-citraat positief
21. Welke eigenschap is niet juist voor E. coli
a. beta-glucuronidase positief
b. indol productie negatief
c. Simmon citraat negatief