2e Ba BMW Prof. Dr. Guy Van Camp
Zelfstudie opdracht: Monogene overerving en populatiegenetica
Leermiddelen
Text handbook “Genetics and Genomics in Medicine” hoofdstuk 5
Slides
Doelstellingen
De student kent de belangrijkste genetische terminologie i.v.m. monogene overerving, en kan
die termen in de juiste context gebruiken.
De student kent en begrijpt de volgende overervingsvormen: autosomaal dominant en recessief,
X-gebonden dominant en recessief, Y-gebonden, mitochondrieel.
De student kan op basis van stambomen de meest waarschijnlijke en onwaarschijnlijke
overervingsvormen benoemen en motiveren.
De student kent en begrijpt complexerende factoren die kunnen optreden bij overervingswijzen,
waaronder nieuwe mutaties, mozaïcisme, locus- allelische- en fenotypische heterogeniteit, niet
penetrantie, verlate aanvangsleeftijd, variabele expressie, imprinting, anticipatie, pleiotropie,
consanguiniteit.
De student kent en begrijpt de moleculaire achtergrond die aan de basis ligt van
overervingsvormen en complexerende factoren, zoals b.v (niet limitatieve lijst) X-inactivatie,
pseudoautosomale regio, en mitochondriële heteroplasmie.
De student begrijpt de wet van Hardy Weinberg, kent de limitaties, en kan uitleggen hoe deze
wet allelfrequenties in een populatie bepaalt.
De student begrijpt hoe allel frequenties zich gedragen in populaties, en wat het effect kan zijn
van bottlenecks, founder effecten, inbreeding, selectie en heterozygoot voordeel.
De student kan op basis van de wet van Hardy Weinberg populatiegenetische oefeningen
oplossen en genetische risico’s berekenen.
Opdrachten
1. Indien 9% van de populatie in een Afrikaans land geboren wordt met sikkelcel anemie, welk
percentage van de bevolking zal er daar een heterozygoot voordeel hebben dat hen (voor een stuk)
beschermt tegen het krijgen van malaria?
2. Er zitten 100 studenten in een cursus. 96 studenten slaagden, en 4 slaagden niet. Neem (bij wijze van
grap) aan dat het kenmerk slagen of niet slagen genetisch is, en dat de 4 niet geslaagden
homozygoot recessief zijn.
a. Wat is de frequentie van het recessieve allel?
b. Wat is de frequentie van het dominante allel?
c. Wat is de frequentie van heterozygote individuen?
3. Bereken de genfrequentie en de carrier frequentie voor de volgende autosomaal recessieve ziekten.
De incidentie voor elk van de ziekten is gegeven.
Incidentie:
1) Adenosine deaminase deficiëntie: 1/100.000
1
, Moleculaire biologie
2e Ba BMW Prof. Dr. Guy Van Camp
2) Medium keten acylCoAdehydrogenase: 1/10.000
3) Haemochromatose: 1/400
4. Wat is de kans dat een gezonde broer of zus van een patiënt met een autosomaal recessieve
aandoening carrier is? Beide ouders zijn uiteraard carrier.
5. De frequentie van sikkel cel anemie, een autosomaal recessieve aandoening is 1/625 bij Amerikaanse
zwarten. Wat is de kans dat een klinisch normale zuster van een patiënt met sikkel cel anemie een
aangetast kind heeft, wanneer ze trouwt met een niet-verwante niet-aangetaste Amerikaanse
zwarte, die geen familieleden met de ziekte heeft?
6. De frequentie van het gen voor albinisme (autosomaal recessief) in een populatie is gekend: 1/200.
Wat is het risico op een aangetast kind van een aangetaste vrouw met een niet-aangetaste man die
niet verwant is en geen familieleden met albinisme heeft?
7. Neem aan dat het voorkomen van sproeten een dominant kenmerk is. In een familie hebben beide
ouders sproeten. Hun dochter heeft geen sproeten, hun zoon wel. Wat zijn de genotypes?
8. Neem aan dat vaste oorlelletjes recessief zijn t.o.v. vrije oorlelletjes. Een man en een vrouw hebben
beide vrije oorlelletjes, maar beide hebben een vader met vaste oorlelletjes. Geef de stamboom en
de genotypes. Kan dit koppel een kind met vaste oorlelletjes hebben?
9. Een man is kleurenblind (X-gebonden recessief), net zoals zijn broer. Zijn dochter is zwanger. Wat is
haar kans op een aangetast kind? Neem aan dat de echtgenote van de man geen carrier is van
kleurenblindheid.
10. De incidentie van Duchenne spierdystrofie is ongeveer 1/3500 jongetjes. Wat is de frequentie van
vrouwelijke draagsters voor deze ziekte?
11. Twee fenotypisch normale mensen trouwen. Ongelukkigerwijs hebben ze een gemeenschappelijke
overgrootvader die leed aan een zeldzame autosomaal recessieve ziekte (incidentie 1/30.000). Neem
2