Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 3 van de 28 pagina's
Samenvatting

Samenvatting Toegepaste psychologie S2

Document preview thumbnail
Voorbeeld 3 van de 28 pagina's

Samenvatting van volledige cursus en powerpoints.

Voorbeeld van de inhoud

Psychologie S2
1. Ontwikkelingspsychologie – inleiding
DEEL 1: Inleiding in de psychologie (p. 7 – 21)
1. Inleiding
Ontwikkelingspsychologie = de psychologie van groei, verandering en consistentie gedurende het hele leven.

Ontwikkeling van het kind
Fysieke ontwikkeling Invloed hersenen, zenuwstelsel, spieren, zintuigen en
de behoefte aan eten, drinken en slaap op ons gedrag.
Cognitieve ontwikkeling Intellectuele vermogens, waaronder leren, geheugen,
oplossen van problemen en intelligentie.
Sociale ontwikkeling Ontwikkeling en verandering van sociale relaties en
interacties met anderen.
Persoonlijkheidsontwikkeling Duurzame eigenschappen die de ene persoon van de
andere onderscheiden.

Primaire vraag voor ontwikkelingspsychologen: ‘Welke voorspelbare veranderingen vinden gedurende het gehele
leven bij individuen plaats en welke rol spelen erfelijke factoren en omgeving bij deze veranderingen?’

1.1 Nature en nurture
• Nature – nurture vraagstuk: oud meningsverschil over de vraag of erfelijke factoren dan wel
omgevingsfactoren het meest invloed hebben op ons gedrag en psychische processen.
• Interactie nature – nurture: We worden geboren met een bepaalde aanleg (nature) die wordt blootgesteld
aan invloeden uit de omgeving (nurture)

1.2 leeftijdsgroepen
1. Prenatale periode: periode van conceptie – geboorte
2. Baby- en peutertijd: geboorte – 1,5 jaar en 1,5 – 3 à 4 jaar
3. Kleutertijd: 3 à 4 – 6 jaar
4. Schooltijd: 6 – 12 jaar
5. Adolescentie: 12 – 20 à 22 jaar
6. Volwassene: > 22 jaar

• Duidelijke grens: babytijd begint bij geboorte en kleutertijd eindigt als kind naar basisschool gaat
• Onduidelijke grens: overgang schooltijd en adolescentie omdat de grens gebaseerd is op biologische
veranderingen

1.3 continue vs. discontinue veranderingen
Continue verandering:
• Ontwikkeling geleidelijk en vloeien prestaties op een bepaald niveau voort op vorige
• Nieuwe vaardigheden vloeien automatisch voort uit bestaande
• Kwantitatief: ontwikkeling wordt groter en meer
• Continuïteit
• Aaneensluitende vooruitgang
• Bv. Veranderingen in de lengte

Discontinue verandering:
• Vindt plaats in aparte stappen
• Elk stadium levert gedrag op de kwalitatief anders is dan het vorige
• Stadia zijn onder meer: kleutertijd, kindertijd en adolescentie
1

, • Ontwikkeling is heel abrupt: ontwikkeling maakt een sprongetje

2. Theorie van Piaget
2. Theorie van Piaget
Volgens Piaget:
- Cognitieve ontwikkeling ontstaat vanuit acties die het kind uitvoert
- Kinderen reageren op basis van aangeboren reflexen à gaandeweg ontwikkelen ze controle over
deze reflexen doordat interne mentale representaties vormen van de acties en bijhorende
voorwerpen
- Interne representaties = schema’s
- Begin: schema sterk verbonden aan een specifieke prikkel
- Door voortdurende interacties met de omgeving zullen schema’s complexer worden en losser
komen te staan van specifieke objecten
o Dit gebeurt via 2 adaptatieprocessen: assimilatie en accommodatie
o Continue processen waarbij schema’s constant ontplooien en belangrijke veranderingen
sprongsgewijs gebeuren
- In de theorie van Piaget: kind probeert aanvankelijk informatie te begrijpen via assimilatie
o Lukt dit niet: ontstaat er een onevenwicht en wordt er gebruik gemaakt van accommodatie om het
evenwicht te herstellen

Assimilatie: Proces waarbij een kind nieuwe informatie uit de wereld opneemt en deze in een bestaand schema
probeert onder te brengen.

Accommodatie: het aanpassen van bestaande schema’s aan afwijkende informatie
Bv. Een kind heeft al een schema voor een hond, dan is de kans groot dat de eerste kat waar hij mee in aanraking
komt, bij dit schema zal gevoegd worden. Al vlug zal het kind merken dat de dieren niet hetzelfde zijn en er zal dus
een nieuw schema moeten gecreëerd worden (= accommodatie).

2.1 Het sensorimotorische stadium (geboorte – 2 jaar)
• Kinderen zijn vooral bezig met hun: waarnemingen (sensorisch), acties (motorisch), interacties tussen de 2
• Leerproces begint bij aangeboren reflexen (zuigreflex, grijpreflex, volgen van bewegende voorwerpen)
o Geleidelijk minder reflexief à doelgerichter gebruikt worden
• Acties zijn beperkt tot lichaamsbewegingen (Bv. zwaaien met hand voor hun gezicht)
o Later: betrekking op voorwerpen
o Kind begint naar voorwerpen te reiken en begint aandacht te krijgen voor gevolgen van zijn acties à
zal deze herhalen om gevolgen beter te begrijpen
o Kind krijgt inzicht in basisconcepten: tijd, ruimte en causaliteit
• Ontwikkelt sensori-motorische schema’s voor acties
o Verwerft controle op omgeving
• Eerste 2 jaar sterke motorische vooruitgang, acties en bijhorende schema’s verfijnen
• Objectpermanentie: belangrijk inzicht waarbij het besef komt dat een voorwerp blijft bestaan als je het niet
meer kunt zien
o Niet verworven voor de leeftijd van 8 – 12 maanden
o Beschrijving objectpermanentie p. 27 in boek

2.2 Het pre-operationele stadium (2 – 7 jaar)
• Kind zal zicht ontwikkelen in taal
o Van telegrafische spraak tot grammaticaal aanvaardbare zinnen (200 tot meer dan 8000 woorden)
• Denken gaat sterk vooruit
• Zijn bewust dat een verdwenen voorwerpen nog steeds bestaan en houden van fantasiespelletjes waar
voorwerpen een andere betekenis hebben
• Begrijpen relaties tussen gebeurtenissen en verklaren de fenomenen
• Schema’s zijn nog beperkt

2

, o Nog niet in staat om gevolgen van acties te achterhalen en hoe ze ongedaan worden gemaakt
• Stadium is gebaseerd op uiterlijk van dingen en niet op kennis van onderliggende principes
• Periode waar capaciteit voor logische operaties en logisch denken nog ontbreekt
• Worstelen met het onderscheid tussen schijn en realiteit
o Hoe iets eruitziet en hoe iets echt is, is moeilijk te bestuderen à probleem: niet alleen de vraag of
het kind het onderscheid kent maar ook of het kind begrijpt wat de onderzoeker verlangt
o Bv. Kaars dat eruitziet als een kleurpotlood. Wanneer aan kleuters wordt gevraagd ‘of een kaars die
eruitzag als een kleurpotlood echt wel een kleurpotlood was’, antwoord was dikwijls ‘ja’
o Later onderzoek toont aan: deel van problemen heeft te maken met het juist begrip van wat
onderzoeker bedoeld (is dit echt en ziet het eruit als)

2.3 Het concreet-operationele stadium (7 – 11 jaar)
• Kunnen meerdere zaken aan zoals: lezen en rekenen
• Gaan naar lagere school waar ze vaardigheden aanleren, maar ook reële toename in cognitieve
vaardigheden
• Inzicht dat acties omkeerbare effecten hebben: je kunt voorwerpen niet alleen omvormen maar ook in
originele stand herstellen
o In staat om onderliggende fysische principes te begrijpen
o Test: conservatietaken (drie glazen, twee met dezelfde vorm, 1 andere à is dit evenveel?)
o Conservatie: besef dat onderliggende fysische dimensie gelijk blijft ondanks oppervlakkige
veranderingen in voorkomen
o
• Operaties = omkeerbare reacties, waarvan de gevolgen ongedaan gemaakt kunnen worden door andere
acties

2.4 Het formeel-operationele stadium (vanaf 11 jaar)
• Conservatiebegrip is beperkt tot operaties op fysisch aanwezige, waarneembare voorwerpen
• Inzicht in abstracte onderliggende principes en kan deze toepassen op hypothetische situaties
• Abstract denken
• Beginnen af te vragen wie ze zijn en welke plaats ze binnen het gezin hebben
• Capaciteit om in te beelden dat hun leven anders zou zijn dan hoe het is
• Kunnen ideeën vormen over alternatieve manieren om hun leven zin te geven
• Argumenteren hierover met ouders

2.5 Problemen met de theorie van Piaget
• Piaget was een van de eerste die wees op het feit dat kinderen anders denken dan volwassenen
• Probleem: denken van jonge kinderen te sterk geformuleerd in termen van tekort
• Oudere kinderen slaagden altijd en werden gezien als het standaard
• Jongere kind verschilde in door wat het nog niet kon
• Legde sterk de nadruk op het bestaan van stadia in het denken van een kind, deze visie heeft 3 assumpties:
1. Stadia gepaard met kwalitatieve verschillen in denken (gaat niet om meer/ minder begrip, maar om
andere denkprocessen)
2. Binnen stadium zijn denkprocessen gelijk voor alle mogelijke problemen waar een kind mee
geconfronteerd wordt
3. Kinderen zijn pas in staat om denkprocessen van een bepaald stadium te leren als kritische leeftijd
hiervoor bereikt is




3

Documentinformatie

Geüpload op
12 oktober 2021
Aantal pagina's
28
Geschreven in
2020/2021
Type
Samenvatting
€5,99

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kan je een ander document kiezen. Je kan het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
louisegoyvaerts
3,0
(1)
Verkocht
17
Volgers
11
Items
12
Laatst verkocht
7 maanden geleden


Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via Bancontact, iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo eenvoudig kan het zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen