H4 De psychologie van stress
Stressmodel van Gaillard: leidraad voor analyseren van de verhouding mentaal-emotionele
belasting/belastbaarheid van de patiënt.
combinatie van model dat transactie tussen persoon en omgeving centraal stelt MET model
over centrale informatieverwerking binnen de persoon.
figuur bladzijde 35 stressmodel Gaillard.
Externe dysbalans: tussen omgeving (eisen) en de patiënt (capaciteiten)
Interne dysbalans: aspecifieke activatie & selectiviteit – cognitieve, emotionele en
gedragsmatige anderzijds.
Voor elk cognitief, emotioneel en gedragsmatig responderen optimaal activatieniveau is.
Stressoren: de eisen die het leven met zich meebrengt.
Lifeevents: laten ordenen van zwaar naar licht.
Patientbeleving over lifeevents uitvragen.
Afwezigheid van positief beleefde situaties (uplifts)
Lifeevents psychologische distress negatieve levensgebeurtenissen
Reciproque relatie tussen psychologische disstress en negatieve levensgebeurtenissen
(Kaplan). bladzijde 36.
Stressoren: negatieve consequenties van de situatie beheersbaarheid van de situatie.
Oncontroleerbare negatieve situaties leiden tot stress regelruimte om invloed uit te
oefenen. model van Karasek.
Invloed van werkomgeving op welzijn en gezondheid door twee factoren is te voorspellen:
werklast & regelruimte & sociale steun.
Regelruimte en beheersbaarheid zijn nauw aan elkaar gerelateerd.
Leefomgevingen van een persoon:
Actief: omgeving stelt hoge eisen – veel regelmogelijkheden
Passief: geen eisen (bv werkloos) – geen regelruimte (bv geen geld) depressie
Weinig spanning: lage eisen – grote regelruimte (bv 55+) tevreden
Veel spanning: omgeving stelt hoge eisen – geen regelmogelijkheden.
Wel/geen stressreactie: greep hebben op de probleemsituatie.
primaire en secundaire taxatie van copingbronnen van Lazarus.
Situatie taxeren: dreiging / verlies / uitdaging persoonlijk belang hoog omgang met
probleem als niet-hanteerbaar: stress ervaren.
Klachtgerelateerde stressoren en leefwereldgerelateerde stressoren.
Subjectieve taxatie van de situatie (primaire taxatie)
Eerste inschatting die de patiënt van een situatie maakt. Situationele redenaties: gevaarlijke
situatie. Gaat snel, kan geconditioneerd zijn en wordt mede bepaald door eerdere ervaringen
en persoonskenmerken. Vindt plaats op basis van vooringenomenheid en overgevoeligheden.
Subjectieve taxatie van de copingbronnen (secundaire taxatie)
Verfijnde uitwerking van de situatie: wat denkt de patiënt wat hij er tegen kan doen. Welke
copingsbronnen heeft patiënt? Bij goede coping zal de stressreactie verminderen omdat de
dreiging afneemt.
,Coping
Copingactiviteiten zijn gericht op het probleem & op de regulering van de emoties.
Gedragsmatige en cognitieve vormen van coping.
Betrokkenheid verhogende en betrokkenheid verlagende copingvormen.
Probleemgeoriënteerde gedragsmatige coping: patiënt zal proberen het probleem te beheersen
of op te lossen. Het (her)krijgen van controle over de problematische situatie is over het
algemeen gunstig. Patiënt is de situatie meester. Ongunstig als psychofysiologische kosten
van copinginspanningen groter zijn dan de baten. Kost veel mentale / fysieke inspanning
verhoogde sympatische activatie.
Probleemoplossende coping actieve coping toename van (nor)adrenaline door
toegenomen activiteit in de hypofysebijniermergas.
Passieve coping / vermijding bij oncontroleerbare situaties toename van activiteit in de
hypofysebijnierschoras.
Probleemgeoriënteerde cognitieve coping: vindt plaats als patiënt anders tegen probleem
probeert aan te kijken ‘van problemen kan je leren’. Alleen bij milde situaties, niet bv een
ramp. Actieve aanpak positief effect op het herstel. Bv whisful thinking maar mist
realiteitszin.
Emotiegeorienteerde gedragsmatige coping: men verzacht de negatieve emoties (bv roken /
alcohol / sport). Informatie over stressor willen vermijden. Kop in het zand steken. Bij acute
stressoren minder stress maar bij lang lopende stressoren ongunstig. Of actief sociale steun
mobiliseren
Emotiegeoriënteerde cognitieve coping: vindt plaats als de patiënt zijn verhaal vertelt. Arousal
vermindert vertellen van verhaal dwingt tot cognitieve verwerking.
Passieve emotiegerichte coping: vermijding / ontkenning.
Wanneer welke copingstrategie? Aard van de problemen en de copingsstrategie moeten bij
elkaar passen. Actief probleemgerichte coping in het algemeen wenselijk. Soms is het beter
neer te leggen bij de situatie, bv chronisch zieken en energie richten op haalbare doelen.
Emotiegerichte copingstrategieën gunstig bij zieken: herdefiniëren van de ziekte in een
positief licht, accepteren en gebruik maken van sociale steun. Overmatige controle kan het
oplossen van een probleem belemmeren.
Controleverwachtingen
Beheersoriëntatie: patiënt heeft opvattingen over de mate waarin hij in het algemeen invloed
heeft op dingen die hem gebeuren.
Externe beheersoriëntatie: patiënt heeft opvattingen over de mate waarin hij in het algemeen
invloed heeft op dingen die hem gebeuren toeval / lot / belangrijke anders. Structuur nodig.
Interne beheersoriëntatie: patiënt heeft opvattingen over de mate waarin hij in het algemeen
invloed heeft op dingen die hem gebeuren patiënt heeft zelf belangrijk aandeel
stressbestendiger probleemgeoriënteerde coping. Actieve revalidatie en hoge
therapietrouw. Ongunstig in sterk gestructureerde situaties zonder regelruimte. Ook ongunstig
bij chronisch zieken, patiënt blijft invloed uitoefenen op zaken die vooral extern
gedetermineerd zijn. Als FT weten welke beheersoriëntatie patiënt heeft, de mate waarin de
patiënt laat meedenken en meebeslissen en de mate van structuur aanpassen aan de
beheersoriëntatie van de patiënt.
Algemene beheersoriëntatie ligt diep verankerd in het cognitieve systeem en vormt een breed
doorwerkende overtuiging kernopvattingen. Beheersoriëntatie primaire taxatie.
Specifieke controleverwachtingen invloed op secundaire taxatie.
, Specifieke controleverwachting: opvattingen ontwikkeld die door voor bepaalde specifieke
situaties gelden. ontstaan door specifieke succes- of faalervaringen met specifieke
stressoren coping van invloed bij secundaire taxatie.
Essentieel of patiënt denkt de controle te hebben of niet.
kan patiënt invloed uitoefenen op de pijn of afhankelijk van FT passieve opstelling
herstelbelemmerende overtuiging.
bladzijde 42 herlezen.
Succesverwachting: verwachte werkzaamheid van het middel.
Eigen-effectiviteitsverwachting (self-efficacy): de mate waarin patiënt zelf een dergelijke
copingbron doeltreffend kan toepassen. Patiënt wil iets maar twijfelt of hij het middel kan
toepassen verschil tussen succesverwachting en eigen-effectiviteitsverwachting.
Persoonskenmerken die de belastbaarheid mede bepalen
Stressbestendigheid is het vermogen om op adequate wijze met belastbaarheid
overschrijdende situaties om te gaan. Persoon is vooral in bepaalde situaties en ten aanzien
van bepaalde stressreacties stressbestendig.
Ongunstige persoonseigenschappen: introverte mensen reageren in psychofysiologische
zin versterkt op psychologische stressoren. Piekeren en zenuwachtig zijn negatieve
emoties en in belastende situaties makkelijk allerlei subjectieve psychosomatische klachten.
Psychiatrische stoornis: verlaagde stressbestendigheid door verkleind copingrepetoir.
Neurotisch / angstig / externe beheersoriëntatie: voorkeur voor emotiegeoriënteerde
copingstijlen en passieve opstelling.
Type-A-gedag: complex van gedragingen waarvan het vijandigheidsfacet het meest consistent
is gecorreleerd met cardiovasculaire problematiek.
Gunstige persoonseigenschappen: interne beheersoriëntatie / hoge effectiviteitsverwachting
relatief stressbestendig. Hoge mate van zelfwaardering / optimisme / zekere mate van
extraversie.
Optimisme: gunstig, laat niet ontmoedigen actieve probleemaanpak en mobiliseren van
sociale steun.
Pessimisme: vergroot kans op gezondheidsproblemen. Negatieve gebeurtenissen toeschrijven
aan stabiele, globale en interne oorzaken meer stress verhoogd gezondheidsrisico.
Zelfobservatie: hoog intern bewustzijn eerder lichamelijke sensaties eerder ervaren
spanningsensaties eerder bijsturen bij dreigende overbelasting op termijn betere
gezondheid.
Cognitieve vermogens: hoge contextuele intelligentie maakt minder snel een verkeerde
taxatie. Sterk praktisch probleemoplossend vermogen.
Gehardheid: persoonlijke betrokkenheid (commitment), invloed hebben (control), uitdagingen
zien (challenge) optimistische cognitieve taxaties en copingsacties meer waarschijnlijk.
Uitdaging aangaan. Transformeren geharde personen stressvolle gebeurtenissen in minder
stressvolle. Hoge mate van hardheid correleert met minder stress en betere gezondheid.
Sense of coherence: algeheel gevoel dat de interne en externe stimuli in het leven begrijpelijk
zijn, bronnen aanwezig zijn om met de eisen om te gaan en deze eisen zinvol, belangrijk en
inspanning waard zijn. Bevredigend leven te leiden ondanks klachten en beperkingen.
Persoon of omgeving: persoon belangrijke factor in het stressproces. Persoon niet volledig
verantwoordelijk te stellen voor problematiek. Verlies van externe controle in de omgeving,
geeft aanleiding tot verlies van interne controle.
Stressmodel van Gaillard: leidraad voor analyseren van de verhouding mentaal-emotionele
belasting/belastbaarheid van de patiënt.
combinatie van model dat transactie tussen persoon en omgeving centraal stelt MET model
over centrale informatieverwerking binnen de persoon.
figuur bladzijde 35 stressmodel Gaillard.
Externe dysbalans: tussen omgeving (eisen) en de patiënt (capaciteiten)
Interne dysbalans: aspecifieke activatie & selectiviteit – cognitieve, emotionele en
gedragsmatige anderzijds.
Voor elk cognitief, emotioneel en gedragsmatig responderen optimaal activatieniveau is.
Stressoren: de eisen die het leven met zich meebrengt.
Lifeevents: laten ordenen van zwaar naar licht.
Patientbeleving over lifeevents uitvragen.
Afwezigheid van positief beleefde situaties (uplifts)
Lifeevents psychologische distress negatieve levensgebeurtenissen
Reciproque relatie tussen psychologische disstress en negatieve levensgebeurtenissen
(Kaplan). bladzijde 36.
Stressoren: negatieve consequenties van de situatie beheersbaarheid van de situatie.
Oncontroleerbare negatieve situaties leiden tot stress regelruimte om invloed uit te
oefenen. model van Karasek.
Invloed van werkomgeving op welzijn en gezondheid door twee factoren is te voorspellen:
werklast & regelruimte & sociale steun.
Regelruimte en beheersbaarheid zijn nauw aan elkaar gerelateerd.
Leefomgevingen van een persoon:
Actief: omgeving stelt hoge eisen – veel regelmogelijkheden
Passief: geen eisen (bv werkloos) – geen regelruimte (bv geen geld) depressie
Weinig spanning: lage eisen – grote regelruimte (bv 55+) tevreden
Veel spanning: omgeving stelt hoge eisen – geen regelmogelijkheden.
Wel/geen stressreactie: greep hebben op de probleemsituatie.
primaire en secundaire taxatie van copingbronnen van Lazarus.
Situatie taxeren: dreiging / verlies / uitdaging persoonlijk belang hoog omgang met
probleem als niet-hanteerbaar: stress ervaren.
Klachtgerelateerde stressoren en leefwereldgerelateerde stressoren.
Subjectieve taxatie van de situatie (primaire taxatie)
Eerste inschatting die de patiënt van een situatie maakt. Situationele redenaties: gevaarlijke
situatie. Gaat snel, kan geconditioneerd zijn en wordt mede bepaald door eerdere ervaringen
en persoonskenmerken. Vindt plaats op basis van vooringenomenheid en overgevoeligheden.
Subjectieve taxatie van de copingbronnen (secundaire taxatie)
Verfijnde uitwerking van de situatie: wat denkt de patiënt wat hij er tegen kan doen. Welke
copingsbronnen heeft patiënt? Bij goede coping zal de stressreactie verminderen omdat de
dreiging afneemt.
,Coping
Copingactiviteiten zijn gericht op het probleem & op de regulering van de emoties.
Gedragsmatige en cognitieve vormen van coping.
Betrokkenheid verhogende en betrokkenheid verlagende copingvormen.
Probleemgeoriënteerde gedragsmatige coping: patiënt zal proberen het probleem te beheersen
of op te lossen. Het (her)krijgen van controle over de problematische situatie is over het
algemeen gunstig. Patiënt is de situatie meester. Ongunstig als psychofysiologische kosten
van copinginspanningen groter zijn dan de baten. Kost veel mentale / fysieke inspanning
verhoogde sympatische activatie.
Probleemoplossende coping actieve coping toename van (nor)adrenaline door
toegenomen activiteit in de hypofysebijniermergas.
Passieve coping / vermijding bij oncontroleerbare situaties toename van activiteit in de
hypofysebijnierschoras.
Probleemgeoriënteerde cognitieve coping: vindt plaats als patiënt anders tegen probleem
probeert aan te kijken ‘van problemen kan je leren’. Alleen bij milde situaties, niet bv een
ramp. Actieve aanpak positief effect op het herstel. Bv whisful thinking maar mist
realiteitszin.
Emotiegeorienteerde gedragsmatige coping: men verzacht de negatieve emoties (bv roken /
alcohol / sport). Informatie over stressor willen vermijden. Kop in het zand steken. Bij acute
stressoren minder stress maar bij lang lopende stressoren ongunstig. Of actief sociale steun
mobiliseren
Emotiegeoriënteerde cognitieve coping: vindt plaats als de patiënt zijn verhaal vertelt. Arousal
vermindert vertellen van verhaal dwingt tot cognitieve verwerking.
Passieve emotiegerichte coping: vermijding / ontkenning.
Wanneer welke copingstrategie? Aard van de problemen en de copingsstrategie moeten bij
elkaar passen. Actief probleemgerichte coping in het algemeen wenselijk. Soms is het beter
neer te leggen bij de situatie, bv chronisch zieken en energie richten op haalbare doelen.
Emotiegerichte copingstrategieën gunstig bij zieken: herdefiniëren van de ziekte in een
positief licht, accepteren en gebruik maken van sociale steun. Overmatige controle kan het
oplossen van een probleem belemmeren.
Controleverwachtingen
Beheersoriëntatie: patiënt heeft opvattingen over de mate waarin hij in het algemeen invloed
heeft op dingen die hem gebeuren.
Externe beheersoriëntatie: patiënt heeft opvattingen over de mate waarin hij in het algemeen
invloed heeft op dingen die hem gebeuren toeval / lot / belangrijke anders. Structuur nodig.
Interne beheersoriëntatie: patiënt heeft opvattingen over de mate waarin hij in het algemeen
invloed heeft op dingen die hem gebeuren patiënt heeft zelf belangrijk aandeel
stressbestendiger probleemgeoriënteerde coping. Actieve revalidatie en hoge
therapietrouw. Ongunstig in sterk gestructureerde situaties zonder regelruimte. Ook ongunstig
bij chronisch zieken, patiënt blijft invloed uitoefenen op zaken die vooral extern
gedetermineerd zijn. Als FT weten welke beheersoriëntatie patiënt heeft, de mate waarin de
patiënt laat meedenken en meebeslissen en de mate van structuur aanpassen aan de
beheersoriëntatie van de patiënt.
Algemene beheersoriëntatie ligt diep verankerd in het cognitieve systeem en vormt een breed
doorwerkende overtuiging kernopvattingen. Beheersoriëntatie primaire taxatie.
Specifieke controleverwachtingen invloed op secundaire taxatie.
, Specifieke controleverwachting: opvattingen ontwikkeld die door voor bepaalde specifieke
situaties gelden. ontstaan door specifieke succes- of faalervaringen met specifieke
stressoren coping van invloed bij secundaire taxatie.
Essentieel of patiënt denkt de controle te hebben of niet.
kan patiënt invloed uitoefenen op de pijn of afhankelijk van FT passieve opstelling
herstelbelemmerende overtuiging.
bladzijde 42 herlezen.
Succesverwachting: verwachte werkzaamheid van het middel.
Eigen-effectiviteitsverwachting (self-efficacy): de mate waarin patiënt zelf een dergelijke
copingbron doeltreffend kan toepassen. Patiënt wil iets maar twijfelt of hij het middel kan
toepassen verschil tussen succesverwachting en eigen-effectiviteitsverwachting.
Persoonskenmerken die de belastbaarheid mede bepalen
Stressbestendigheid is het vermogen om op adequate wijze met belastbaarheid
overschrijdende situaties om te gaan. Persoon is vooral in bepaalde situaties en ten aanzien
van bepaalde stressreacties stressbestendig.
Ongunstige persoonseigenschappen: introverte mensen reageren in psychofysiologische
zin versterkt op psychologische stressoren. Piekeren en zenuwachtig zijn negatieve
emoties en in belastende situaties makkelijk allerlei subjectieve psychosomatische klachten.
Psychiatrische stoornis: verlaagde stressbestendigheid door verkleind copingrepetoir.
Neurotisch / angstig / externe beheersoriëntatie: voorkeur voor emotiegeoriënteerde
copingstijlen en passieve opstelling.
Type-A-gedag: complex van gedragingen waarvan het vijandigheidsfacet het meest consistent
is gecorreleerd met cardiovasculaire problematiek.
Gunstige persoonseigenschappen: interne beheersoriëntatie / hoge effectiviteitsverwachting
relatief stressbestendig. Hoge mate van zelfwaardering / optimisme / zekere mate van
extraversie.
Optimisme: gunstig, laat niet ontmoedigen actieve probleemaanpak en mobiliseren van
sociale steun.
Pessimisme: vergroot kans op gezondheidsproblemen. Negatieve gebeurtenissen toeschrijven
aan stabiele, globale en interne oorzaken meer stress verhoogd gezondheidsrisico.
Zelfobservatie: hoog intern bewustzijn eerder lichamelijke sensaties eerder ervaren
spanningsensaties eerder bijsturen bij dreigende overbelasting op termijn betere
gezondheid.
Cognitieve vermogens: hoge contextuele intelligentie maakt minder snel een verkeerde
taxatie. Sterk praktisch probleemoplossend vermogen.
Gehardheid: persoonlijke betrokkenheid (commitment), invloed hebben (control), uitdagingen
zien (challenge) optimistische cognitieve taxaties en copingsacties meer waarschijnlijk.
Uitdaging aangaan. Transformeren geharde personen stressvolle gebeurtenissen in minder
stressvolle. Hoge mate van hardheid correleert met minder stress en betere gezondheid.
Sense of coherence: algeheel gevoel dat de interne en externe stimuli in het leven begrijpelijk
zijn, bronnen aanwezig zijn om met de eisen om te gaan en deze eisen zinvol, belangrijk en
inspanning waard zijn. Bevredigend leven te leiden ondanks klachten en beperkingen.
Persoon of omgeving: persoon belangrijke factor in het stressproces. Persoon niet volledig
verantwoordelijk te stellen voor problematiek. Verlies van externe controle in de omgeving,
geeft aanleiding tot verlies van interne controle.