spierweefsel
1 GROEIASPECTEN VAN SPIERWEEFSEL
1.1 MOLECULAIRE SAMENSTELLING
Moleculaire samenstelling bepaalt de functionele werking van de spier
1.1.1 Myofibrillair en contractiel systeem
Opbouw van de spier in vezels over gehele lengte van de spier,
opgebouwd uit 100-1000 myofibrillen in sacrolemma
Myofibril= functionele contractiele eenheid
Structurele organisatie van myofilamenten in sacromeren
o Dunne vezels: actine, tropomyosine en troponine filamenten
o Dikke vezels: myosine filamenten
o Dwarsgestreept met Z/M-lijn en A/I/H-band
Spiercontractie: cross-bridge cycling
1.1.2 Spier-connectieve weefsel systeem
Collageen en
elastine
Epimysium
(hele spier)
perimysium
(10-100
vezels in
fascicles)
endomysium (vezel)
Spier – pees – bot overgang
Groeiaspecten: onbekend
1.1.3 Plasma membraan en t-tubules – SR
T-tubules en sacroplasmatisch reticulum: rol in signaal transmissie (Ca 2+ vrijzetting in functie van cross-bridge
cycling)
Groeiaspecten: onbekend
1.1.4 Motorische eenheden
α-motor neuron + alle spiervezels die erdoor worden geinnerveerd, hoge interindividuele variabiliteit
Elektrofysiologische eigenschappen ven motorische eenheden contractiele eigenschappen van de spiervezels
Groeiaspecten: onbekend
1.1.5 Metabool systeem
Geheel aan moleculen, enzymen, metabole reactiewegen die de energievoorziening (ATP-productie) van de
spiervezels voorzien
, 1.2 MYOGENESE
Myogenese: ‘proliferatie’ tot myoblasten; daarna vroege en late differentiatie events naar myotubes en mature
myotubes die uitgroeien naar mature spiervezels.
VORMING FUSIE INNERVATIE + DIFFERENTIATIE
Ontwikkeling: postembryonaal
Myotubes evolueren naar echte spiervezels (lengte/oppervlakte toename)
Verdere groei in lengte/oppervlakte en differentiatie (korte postnatale periode)
Het aantal spiervezels ligt al vroeg vast afhankelijk van maturiteit/geboortegewicht (laatste trimester – 4
maanden postnataal: verdubbeling)
Toename in het aantal myonuclei/spiervezels (oppervlakte per celkern constant gehouden)
Rol van satellietcellen in aanmaak myonuclei tijdens groei (reserve stam-/repaircellen voor regeneratie van de
spier VB: na blessure)
1.3 CHEMISCHE SAMENSTELLING
Van foetale fase naar postnatale fase neemt het aantal spiervezels toe, maar blijven ze gelijk in grootte
Van postnatale fase naar volwassen fase blijft het aantal vezels gelijk, maar nemen ze toe in grootte
Van foetale fase naar volwassen fase neemt het aantal extracellulaire vezels af
In spierweefsel neemt de stikstofconcentratie toe naarmate men ouder wordt. N is een belangrijke bouwsteen
van aminozuren.
1.4 VEZELTYPES
Classificatie van spiervezel
o Histochemische eigenschappen
o Contractiele eigenschappen
o Metabole eigenschappen
o Combinatie de eigenschappen zijn niet volledig
onafhankelijk van elkaar
o Histochemische kleuring op basis van myosine ATPase
activiteit
o Immunohistochemische kleuring via antilichamen tegen
MHC I en MHC IIa
Myofibrillaire eiwitten worden door verschillende genen gecodeerd (embryonale vorm/neonatale
vorm/volwassen vorm)
1 spiervezel bevat vaak mengvorm van verschillende myosin heavy chain MHC en myosin light chain MLC
isoforms