Lymfevaten
Ontwikkeling van het lymfevatenstelsel
Ontwikkeling gebeurt op het einde van de 5e week embryonaal
Mesodermale kiemlaag venen lymfezakken lymfevaten
Verschillende lymfezakken
Gepaarde
o Jugulaire lymfezak
Ontstaat ter hoogte van de overgang van v jugularis interna en v
subclavia
Behoud de verbinding met de venen
Lymfevaten: thorax, armen, hoofd en hals
Linker deel: bovenste deel ductus thoracicus
o Posterieure lymfezak
Ontstaat uit de iliacale venen
Verliest verbinding met de venen
Lymfevaten: abdominale wand, pelvis en benen
Ontwikkelt verbindingen met de cisterna chyli
Ongepaarde
o Retroperitoneale lymfezak
Ontstaat uit de v cava en mesonefrische venen
Verliest verbinding met venen
Lymfevaten: abdominale viscera en diaphragma
Ontwikkelt verbindingen met de cisterna chyli
o Cisterna chyli
Ontwikkelt onder het diaphragma tegen de achterste abdominale
wand
Vormt het onderste deel van de ductus thoracicus
Alle lymfezakken gaan rond de 3e maand ontwikkelen tot lymfevaten (buiten cisterna chyli:
blijft een lymfezak)
Geen lymfesysteem in
Centraal zenuwstelsel
Cornea
Oppervlakkige lagen van de huid
Botstelsel
Alveoli van de long
,Lymfevocht: transudaat
Transparant
Licht geel
Alkalisch
Eiwit
Lipiden
Glucose
Ureum, creatinine
Elektrolyten
Cellen bv lymfocyten
Druk in de arteriele capillairen
Bloed
o Hydrostatische druk: 35mmHg
o Colloid osmotische druk: 26mmHg
Interstitium
o Hydrostatische druk: 0
Vocht wordt direct afgevoerd door lymfe: geen hydrostatische
drukopbouw
o Osmotische druk: 1mmHg
NETTO DRUK: 10mmHg: van bloed naar interstitium
Druk in de veneuze capillairen
Bloed
o Hydrostatische druk: 16mmHg (lager dan arterieel)
o Colloid osmotische druk: 26mmHg
Interstitium
o Hydrostatische druk: 0
Vocht wordt direct afgevoerd door lymfe: geen hydrostatische
drukopbouw
o Osmotische druk: 1mmHg
NETTO DRUK: -9mmHg: van interstitium naar bloed
Totale druk: netto filtratiedruk van 1mmHg
dit zorgt voor het opstapelen van vocht in het interstitium wat afgevoerd moet worden
door de lymfevaten
Wand van de lymfecapillairen
1 laag endotheelcellen
o Verankerd tussen bindweefsel met filamenten (niet enkel de lymfecapillairen
maar ook de lymfevaten)
Wanden overlappen
o Enkelrichtingskleppen
Geen tight junctions
,Gelijkenissen tussen venen en lymfevaten
Tunica intima endotheelcellen
o Enkelrichtingskleppen
Tunica media: spierlaag
Tunica adventitia: bindweefsellaag
Verschillen tussen venen en lymfevaten
Wand van lymfevaten is dunner
Lymfevaten hebben meet kleppen
Ductus thoracicus: linkse ductus lymfaticus
Begint vanuit de cisterna chyli
Draineert in de junctie tussen de v jugularis interna en de v subclavia links
o Ter hoogte van deze junctie van lymfe lekken en uiteindelijk terecht komen in
de supraclaviculaire lymfeklieren
Ontvangt lymfe uit
o Linkse zijde hoofd/hals
o linker arm
o linker thoracale regio
o volledig abdomen
o beide onderste ledematen
verloop
o komt in de thoracale holte via de hiatus aorticus
o verloopt in posterior mediastinum
Rechter ductus lymfaticus
ontvangt lymfe uit
o rechter hoofd hals
o rechter thorax
o rechter arm
ontstaat vanuit 3 truncussen
o truncus jugularis rechts
rechter zijde hoofd/hals
o truncus subclavicularis
rechter arm
o truncus bronchomediastinalis
rechter thorax: rechter long, rechter deel hart, deel van de lever
snelheid van lymfe: 120 ml/h
100ml/h door ductus thoracicus
20 ml/h door de andere
Per dag: 3/4 l
, Onderdelen van de lymfeknoop
Medulla
o Medullaire sinussen
o Omliggend weefsel: medullaire strengen
o T-cellen, plasma cellen, macrofagen, dendritische
cellen
o Ook hier: naieve B-cellen omgezet tot antistof
secreterende plasma cellen
Paracortex
o Trabeculaire sinussen
o Vooral T-cellen: T-gebied
o Ook antigeen presenterende cellen: interdigiterende dendritische cellen,
macrofagen of langerhanscellen
Antigeen presentatie aan Tcellen (helper of cytotoxisch)
o Ook hier bevinden zich naieve B-cellen die geactiveerd kunnen worden door
antigeen presentatie tot B-immunoblasten
B-immunoblasten:
Smalle donkere zone cytoplasma
Grote vesiculaire kern
Nucleool
Cortex
o Subcapsulaire sinussen
o Vooral B-cellen (in follikels)
Indringer: gefagocyteerd door antigeenpresenterende cellen
(folliculaire dendritische cellen) in het lumen van de subcapsulaire
sinussen die het presenteren aan de B-cellen
Bcellen:
o Snelle igM productie in marginale zone van follikel
o Tragere igG productie na follikelcentrum passage
Hilus: depressie in de lymfeknoop
Aankomst van arteries
o Takken af vanuit de medulla richting de paracortex
In paracortex: capillair netwerk met hoog
endotheel venulen (HEV)
Ontwikkeling van het lymfevatenstelsel
Ontwikkeling gebeurt op het einde van de 5e week embryonaal
Mesodermale kiemlaag venen lymfezakken lymfevaten
Verschillende lymfezakken
Gepaarde
o Jugulaire lymfezak
Ontstaat ter hoogte van de overgang van v jugularis interna en v
subclavia
Behoud de verbinding met de venen
Lymfevaten: thorax, armen, hoofd en hals
Linker deel: bovenste deel ductus thoracicus
o Posterieure lymfezak
Ontstaat uit de iliacale venen
Verliest verbinding met de venen
Lymfevaten: abdominale wand, pelvis en benen
Ontwikkelt verbindingen met de cisterna chyli
Ongepaarde
o Retroperitoneale lymfezak
Ontstaat uit de v cava en mesonefrische venen
Verliest verbinding met venen
Lymfevaten: abdominale viscera en diaphragma
Ontwikkelt verbindingen met de cisterna chyli
o Cisterna chyli
Ontwikkelt onder het diaphragma tegen de achterste abdominale
wand
Vormt het onderste deel van de ductus thoracicus
Alle lymfezakken gaan rond de 3e maand ontwikkelen tot lymfevaten (buiten cisterna chyli:
blijft een lymfezak)
Geen lymfesysteem in
Centraal zenuwstelsel
Cornea
Oppervlakkige lagen van de huid
Botstelsel
Alveoli van de long
,Lymfevocht: transudaat
Transparant
Licht geel
Alkalisch
Eiwit
Lipiden
Glucose
Ureum, creatinine
Elektrolyten
Cellen bv lymfocyten
Druk in de arteriele capillairen
Bloed
o Hydrostatische druk: 35mmHg
o Colloid osmotische druk: 26mmHg
Interstitium
o Hydrostatische druk: 0
Vocht wordt direct afgevoerd door lymfe: geen hydrostatische
drukopbouw
o Osmotische druk: 1mmHg
NETTO DRUK: 10mmHg: van bloed naar interstitium
Druk in de veneuze capillairen
Bloed
o Hydrostatische druk: 16mmHg (lager dan arterieel)
o Colloid osmotische druk: 26mmHg
Interstitium
o Hydrostatische druk: 0
Vocht wordt direct afgevoerd door lymfe: geen hydrostatische
drukopbouw
o Osmotische druk: 1mmHg
NETTO DRUK: -9mmHg: van interstitium naar bloed
Totale druk: netto filtratiedruk van 1mmHg
dit zorgt voor het opstapelen van vocht in het interstitium wat afgevoerd moet worden
door de lymfevaten
Wand van de lymfecapillairen
1 laag endotheelcellen
o Verankerd tussen bindweefsel met filamenten (niet enkel de lymfecapillairen
maar ook de lymfevaten)
Wanden overlappen
o Enkelrichtingskleppen
Geen tight junctions
,Gelijkenissen tussen venen en lymfevaten
Tunica intima endotheelcellen
o Enkelrichtingskleppen
Tunica media: spierlaag
Tunica adventitia: bindweefsellaag
Verschillen tussen venen en lymfevaten
Wand van lymfevaten is dunner
Lymfevaten hebben meet kleppen
Ductus thoracicus: linkse ductus lymfaticus
Begint vanuit de cisterna chyli
Draineert in de junctie tussen de v jugularis interna en de v subclavia links
o Ter hoogte van deze junctie van lymfe lekken en uiteindelijk terecht komen in
de supraclaviculaire lymfeklieren
Ontvangt lymfe uit
o Linkse zijde hoofd/hals
o linker arm
o linker thoracale regio
o volledig abdomen
o beide onderste ledematen
verloop
o komt in de thoracale holte via de hiatus aorticus
o verloopt in posterior mediastinum
Rechter ductus lymfaticus
ontvangt lymfe uit
o rechter hoofd hals
o rechter thorax
o rechter arm
ontstaat vanuit 3 truncussen
o truncus jugularis rechts
rechter zijde hoofd/hals
o truncus subclavicularis
rechter arm
o truncus bronchomediastinalis
rechter thorax: rechter long, rechter deel hart, deel van de lever
snelheid van lymfe: 120 ml/h
100ml/h door ductus thoracicus
20 ml/h door de andere
Per dag: 3/4 l
, Onderdelen van de lymfeknoop
Medulla
o Medullaire sinussen
o Omliggend weefsel: medullaire strengen
o T-cellen, plasma cellen, macrofagen, dendritische
cellen
o Ook hier: naieve B-cellen omgezet tot antistof
secreterende plasma cellen
Paracortex
o Trabeculaire sinussen
o Vooral T-cellen: T-gebied
o Ook antigeen presenterende cellen: interdigiterende dendritische cellen,
macrofagen of langerhanscellen
Antigeen presentatie aan Tcellen (helper of cytotoxisch)
o Ook hier bevinden zich naieve B-cellen die geactiveerd kunnen worden door
antigeen presentatie tot B-immunoblasten
B-immunoblasten:
Smalle donkere zone cytoplasma
Grote vesiculaire kern
Nucleool
Cortex
o Subcapsulaire sinussen
o Vooral B-cellen (in follikels)
Indringer: gefagocyteerd door antigeenpresenterende cellen
(folliculaire dendritische cellen) in het lumen van de subcapsulaire
sinussen die het presenteren aan de B-cellen
Bcellen:
o Snelle igM productie in marginale zone van follikel
o Tragere igG productie na follikelcentrum passage
Hilus: depressie in de lymfeknoop
Aankomst van arteries
o Takken af vanuit de medulla richting de paracortex
In paracortex: capillair netwerk met hoog
endotheel venulen (HEV)